‘Overheid moet meer oog krijgen voor regionaal onbehagen’

In gesprek met hoogleraar Caspar van den Berg

De spanning tussen stad en platteland is van alle tijden, maar momenteel zien we een toename van regionaal onbehagen, aldus Caspar van den Berg, hoogleraar Global and Local Governance aan de Rijksuniversiteit Groningen. Politieke en ambtelijke bemoeienis met dit probleem schieten echter tekort: na de retoriek van de boze burger, moet Den Haag ook inhoudelijk aan de slag om het onbehagen te verminderen.

Het mocht maar liefst 273 dagen duren, maar op 15 december was het dan toch zover: informateurs Johan Remkes en Wouter Koolmees presenteerden een nieuw coalitieakkoord. Dat akkoord staat vol ronkende plannen, waar de komende jaren vele miljarden euro’s voor geïnvesteerd moeten worden. De democratische rechtsorde, het klimaat of de gezondheidszorg: het behoeft weinig uitleg dat de opgaven waar Nederland voor staat complex, veelomvattend en urgent zijn.

Diepere scheidslijnen
Een net zo belangrijk thema krijgt in het coalitieakkoord echter een stuk minder aandacht: regionaal onbehagen. Inwoners van ‘de regio’ (gebieden die economisch en demografisch achterblijven op de rest van Nederland) hebben gemiddeld een lager vertrouwen in nationale instituties en voelen zich door de nationale politiek minder serieus genomen dan bewoners van de Randstad. Meer dan hun Randstedelijke landgenoten stemden zij op protestpartijen.

‘De scheidslijnen tussen de zogenoemde gevestigden en de buitenstaanders werden dieper’

De coronacrisis bleek ook voor regionaal onbehagen en de kloof tussen de grote steden en landelijke gebieden te werken als een vergrootglas. Van den Berg: ‘Onvrede en onbehagen en afnemend vertrouwen in het politieke systeem zijn meer dan voorheen aan de oppervlakte gekomen. Tegelijkertijd werden die scheidslijnen tussen de zogenoemde gevestigden en de buitenstaanders dieper. Zowel in grootstedelijke gebieden als aan de randen zijn er mensen die zich afkeren van het politiek-bestuurlijk systeem, maar om andere redenen. De oorzaken van het afhaken van mensen in de dunbevolkte gebieden heeft de afgelopen jaren weinig aandacht gekregen, maar dat begint langzaam te veranderen.’

Golf van onbehagen
Samen met universitair docent en onderzoeker Annemarie Kok publiceerde Van den Berg in september van dit jaar het rapport Regionaal Maatschappelijk Onbehagen: naar een rechtsstatelijk antwoord op perifeer ressentiment. Daarin leggen zij uit dat perifeer ressentiment voortkomt uit verschillende typen onbehagen. Ten eerste wonen aan de randen van het land wonen meer mensen met een lager inkomen en een beroepsopleiding. Ten tweede is er onbehagen dat ontstaat uit regio-specifieke problematiek, zoals de aardbevingen in Groningen of krimp. Ten derde hebben inwoners in perifere regio’s het gevoel dat hun problematiek niet serieus wordt genomen in nationale politiek, het nationaal beleid en in nationale media.

‘In retoriek gaan politici sinds Pim Fortuyn naast de boze burger staan’

Regionaal onbehagen is niet nieuw, maar we bevinden ons wel in een soort golf, stelt Van den Berg. ‘Sinds de opkomst van Pim Fortuyn wordt er nieuwe politiek bedreven, waarbij politici meedeinen met de onderbuik van de boze burger. In retoriek gaan zij naast die burger staan. Dat is logisch en kan nuttig zijn, mits je vervolgens ook echt onderzoek gaat doen: waar is die burger boos over en waarom voelt hij zich niet gehoord en erkend? Wat gebeurde, is het tegenovergestelde: veel politici, van links tot rechts belijden met de mond dat de boze burger een punt heeft, maar gaan tegelijkertijd door met beleid dat het voorzieningenniveau doet afkalven. Daarmee vergroot het onbehagen eerder dan dat het verkleint.’

Vertrouwen
Van den Berg en Kok pleiten voor een rechtsstatelijk antwoord om het regionaal onbehagen te verkleinen. Investeren in voorzieningen is een belangrijke eerste stap. ‘In de regio zijn publieke zaken als onderwijs, zorg, openbaar vervoer en bibliotheken onder druk komen te staan of zelfs verdwenen,’ legt Van den Berg uit. ‘Dat zijn plekken waar mensen bijeen kunnen komen en zich kunnen ontplooien. Haal je die weg, dan krijg je niet het idee dat de overheid er voor jou is.’
De decentralisaties van 2015, onder meer bedoeld om de afstand tussen burger en overheid te verkleinen, hebben volgens Van den Berg niet het gewenste effect gehad. ‘De bestuurlijk-politieke reactie op ontevredenheid van burgers is het dan maar weg te halen uit Den Haag en het dicht bij de mensen te zetten, maar dat kan het onbehagen juist vergroten, omdat er bezuinigd is en het idee postvat dat Den Haag “zijn handen ervan aftrekt”.

De regio in
Vroeger waren er verspreid door het land regiodirecties van departementen. ‘Fysieke aanwezigheid is van groot belang’, meent Van den Berg. ‘Een overheid die nergens te bekennen is, laat zich ook moeilijk vertrouwen. Het is goed als rijksambtenaren vanuit Den Haag meer de regio in gaan. Ga vaker op werkbezoek, wees zichtbaar en zorg dat je je netwerk en informatiekanalen goed open hebt staan richting alle delen van het land. Te vaak worden zorgen en noden van het grootstedelijk gebied gelijkgesteld aan de zorgen en noden van Nederland als zodanig. Maar beleid voor de grote stad hoeft helemaal niet aan te slaan in het landelijke gebied. Dat besef zit op veel departementen onvoldoende tussen de oren.’

‘Doen we niets aan het onbehagen, dan keert de burger de overheid de rug toe’

Van den Berg ziet vooral voor het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) een belangrijke rol weggelegd om te zorgen voor beter beleid in de regio. ‘De inrichting van het binnenlands bestuur, de democratie, de bekostiging van de decentrale overheden: allemaal zaken in de portefeuille van BZK. Dat ministerie moet als een soort moederdepartement fungeren, enerzijds door te coördineren hoe het samenspel tussen overheden door heel het land het beste kan worden vormgegeven, en anderzijds door binnen het rijk te zorgen dat de inspanning van de verschillende departementen ten aanzien van de regio’s elkaar versterken en niet in de weg zit.’ Van den Berg vindt dat BZK een dergelijke visie veel steviger zou kunnen neerzetten: ‘Wat moet het rijk als geheel, wat wil het, hoe verhoudt het zich tot de decentrale overheden? Neem je daar meer regie op, dan zorg je voor meer integraliteit. Verdiep je je daarbij met meer intrinsieke interesse in alle typen gebieden van het land, dan kom je tot beleid dat beter aansluit bij de wensen van het hele land.’

Solidariteit en wederkerigheid
Naast een rechtsstatelijk antwoord is een andere mindset nodig, meent Van den Berg. Waar het sentiment van de boze burger veelal wordt afgedaan als subjectief, irrationeel en wrokkig, pleit hij voor meer begrip. ‘Je kunt je handen in de lucht steken en denken: “wat zijn ze irrationeel”, maar je kunt je ook erin verdiepen. Die mensen geven aan dat het beleid van de afgelopen decennia hun te weinig heeft gebracht. Dat gaat om leefbaarheid, investeringen, voorzieningen en het gevoel mee te tellen, voor vol aangezien te worden.’
‘Gebeurt er niets met het regionaal onbehagen, dan keren mensen de Nederlandse politieke en ruimtelijke gemeenschap de rug toe,’ vervolgt Van den Berg. ‘Kijk maar naar Frankrijk, Groot-Brittannië of de Verenigde Staten om te zien waar dat toe kan leiden. De grote opgaven van deze tijd vereisen solidariteit en wederkerigheid tussen dunner en dichter bevolkte bieden, maar sociaaleconomisch en cultureel drijven die gebieden juist van elkaar af. Dat is zorgelijk en daar moet de rijksoverheid mee aan de slag.’

Vond je dit artikel interessant? Lees alle artikelen van: Jelle van der Meulen
Deel dit artikel

Er is 1 reactie op dit artikel

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

*

    ">Maria Rigter
    studente toegepaste filosofie

    Mooie oproep voor solidariteit en wederkerigheid.

    05 feb 2022