Hoe moet een economie eruitzien die zowel de mens als de planeet dient? Die vraag dringt zich steeds nadrukkelijker op nu het publieke debat heen en weer slingert tussen twee uitersten. Volgens de ene stroming moeten we afscheid nemen van het dogma van economische groei, omdat onze manier van produceren en consumeren de grenzen van aarde en samenleving overschrijdt. Volgens de andere stroming is juist meer groei nodig om onze verzorgingsstaat, veiligheid en technologische onafhankelijkheid veilig te stellen.
Beeld: Pexels
Tussen die twee posities lijkt een keuze onvermijdelijk. Maar misschien ligt de werkelijke opgave juist ergens anders: niet in het kiezen tussen groei of krimp, maar in het hervormen van de economie zodat zij opnieuw dienstbaar wordt aan brede welvaart.
Brede welvaart
Met de verschijning van het rapport van de Club van Rome Grenzen aan de groei in 1972 heeft het mondiale milieubewustzijn een forse impuls gekregen. Voor het eerst werd wereldwijd onderkend dat als de westerse maatschappij in hetzelfde tempo zou blijven consumeren, de rek er binnen honderd jaar uit zou zijn. Na de verschijning van dit rapport zijn er talloze publicaties verschenen die en detail beschrijven wat de impact van de groei op onze planeet is. Wetenschappers hebben empirisch vastgesteld dat inmiddels de draagkracht van zeven van de negen ecosystemen, zoals klimaat, biodiversiteit en de nutriëntencyclus in de bodem, wereldwijd is overschreden.[1]
Dat heeft een enorme impact, niet zozeer op onze materiële welvaart, maar vooral op ons welzijn of zoals economen het aanduiden, de ‘brede welvaart’. Bij ‘brede welvaart’ wordt ook rekening gehouden met externe factoren, zoals de luchtkwaliteit, de biodiversiteit, de uitputting van de bodem, sociale cohesie, kansengelijkheid, etcetera. Wetenschappers hebben zelfs aangetoond dat de brede welvaart sinds 1950 – uitgedrukt in de Brede Welvaartsindicator – zodanig is achtergebleven bij het BBP dat een negatief saldo resteert op de sociaaleconomische balans.[2] Je kunt je daarom afvragen waar wij als mens en als samenleving in godsnaam naar streven. Is economische groei nu echt de heilige graal?
Forse groeistimulans
Maar tegelijkertijd zijn de argumenten van de voorstanders van een forse groeistimulans ook steekhoudend. Inzet op economische groei is volgens hen cruciaal om ons huidige voorzieningenniveau op peil te houden. Zij vrezen dat de samenleving ernstig in de problemen komt, als de antigonisten hun zin krijgen. De financiering van onze verzorgingsstaat, maar ook de stijgende kosten voor de zorg en defensie, zouden in gevaar komen. En daarmee hebben zij inderdaad een punt. De kosten voor deze uitgaven worden immers uit publieke middelen gefinancierd. En een afnemend BBP betekent binnen ons huidige bestel per definitie lagere belastingopbrengsten.
Wennink bepleit dat ons land meer focust op domeinen waar we een strategische positie kunnen opbouwen en behouden
Recent deed het rapport Wennink daar nog een forse schep bovenop.[3] Om de stijgende kosten voor zorg, pensioenen, defensie en energietransitie te financieren is volgens het rapport een gemiddeld groeipercentage van tenminste 1,5 procent per jaar nodig, terwijl dat volgens de prognoses tussen de 0,5 en 0,9 procent per jaar ligt. Om dit doel te bereiken bepleit Wennink dat ons land meer focust op domeinen waar we een strategische positie kunnen opbouwen en behouden, zoals digitalisering en AI, veiligheid en weerbaarheid, energie- en klimaattechnologie en life scienceen biotechnologie. Dit zijn hoogproductieve terreinen van onze economie, waarop we een felle concurrentiestrijd met China en de Verenigde Staten moeten leveren. Wennink waarschuwt dat anderen de voorwaarden en prijzen voor toegang tot technologie bepalen wanneer wij onze strategische relevantie verliezen. Ook om geopolitieke redenen heeft de redenering van Wennink voldoende relevantie.
Dienstbaar aan de mens
Het echte bezwaar tegen de argumenten van de ‘groei-adepten’ is dat vergeten wordt waarvoor de economie bedoeld is. Ten enenmale geldt dat de economie dienstbaar moet zijn aan de mens. En daar zien we de laatste vier decennia steeds minder van terug. Zoals Jan Rotmans, hoogleraar Transitie en Duurzaamheid, opmerkt zijn wij in Nederland in de afgelopen 50 jaar drie keer welvarender geworden, maar is het geluksniveau constant gebleven, neemt de levensverwachting weliswaar nog toe, maar de gezonde levensverwachting neemt af. En de milieuschade bedraagt volgens het Planbureau voor de Leefomgeving jaarlijks inmiddels zo’n vijf procent van het BBP.[4]
Waar het de aankomende jaren op aankomt is dat we een vergelijk vinden tussen beide uiterste standpunten. Dat betekent enerzijds dat we de betrekkelijkheid van economische groei gaan inzien en opnieuw ons de vraag gaan stellen waar de economie in essentie ook alweer voor dient. Maar anderzijds zullen we ook alerter moeten zijn op behoud van onze strategische positie op het terrein van de wereldhandel en meer focussen op onze kerncompetenties. Concreet: ons land moet zich, bij voorkeur in overleg met onze partners in de EU, meer bewust worden van hetgeen ons en Europa in economisch en technologisch opzicht onderscheidt van de Verenigde Staten, China en opkomende economieën.
Grenzen stellen
Europa kenmerkt zich sinds de Industriële Revolutie als het continent van de kwaliteit, en die kerncompetentie zullen we coûte que coûte moeten blijven verdedigen tegen ‘indringers’ die inferieure spullen aan ons willen slijten.[5] Vrijhandel en globalisering zijn goed, maar vinden hun begrenzing waar goederen van slechte kwaliteit tegen afbraakprijzen in Europa gedumpt worden en waarbij oneigenlijke overheidssteun en/of schending van arbeids-en mensenrechten en/of milieunormen, een rol spelen. Deze oneerlijke concurrentie dienen wij een halt toe te roepen, indien nodig met het tijdelijk opleggen van handelstarieven. Zo ook kunnen quota ingesteld worden voor producten waarvan het fabricageproces en/of het gebruik ernstige milieueffecten veroorzaken.
Grenzen stellen aan dit soort producten stimuleert in het algemeen de creativiteit. En quota zijn daarmee een motor voor groene innovaties.[6] Forse investeringen in Reseach & Development versnellen deze ontwikkeling. De overheid zal dat fiscaal moeten faciliteren. Überhaupt zullen onderwerpen als ‘faciliteren’, ‘stimuleren’, maar ook ‘uitfaseren’ kernthema’s van nieuw economisch overheidsbeleid moeten worden.
Klein land
Vaak is al opgemerkt dat Nederland te veel economie per vierkante kilometer heeft. Als kleine land willen wij tot op heden alles produceren. Als het maar werkgelegenheid en rendement oplevert, zonder echt de vraag te stellen wat voor soort werkgelegenheid het is en wat ondernemen betekent in termen van duurzaamheid en milieu-impact. Econoom Paul Schenderling stelt in zijn recente boek Continent van de Kwaliteit’voor om een aparte rechtsvorm in te stellen voor bedrijven die circulariteit tot speerpunt van hun bedrijfsbeleid gemaakt hebben. Van een vrijstelling voor de vennootschapsbelasting van deze hoogwaardige ondernemingen zou een forse innovatiestimulans uitgaan.
In de transitie naar een nieuwe economische ordening mag de hoogte van de BBP geen doel op zichzelf zijn
Daarentegen zouden subsidies en andere faciliteiten voor vervuilende industrieën volledig moeten worden uitgefaseerd. Eenzelfde uitfasering zal ook moeten gelden voor een groot deel van onze veestapel, vleesverwerkingsindustrie en glastuinbouw. Dit zijn laagproductieve sectoren met een abnormale impact op de natuur en het milieu. Samen met de vele distributiecentra is ook de kwaliteit van de werkgelegenheid, die deze sectoren gemiddeld bieden, ver onder de maat en ligt het bedrijfsmodel dat zij hanteren structureel onder de normen die wij aan leefomgeving en werk stellen.
Tijdens de transitiefase naar de realisering van zo’n nieuwe economische ordening mag de hoogte van de BBP geen doel op zichzelf zijn. Daarom mag de betaalbaarheid van de stijgende kosten voor zorg- en defensie niet meer afhankelijk zijn van de omvang van de hoogte van het BBP.
Fair share
De overheid zou er beter aan doen om op basis van duidelijke uitgangspunten een solide begroting op te stellen en vervolgens vast te stellen hoeveel belastinginkomsten nodig zijn. Om dan vervolgens die benodigde hoeveelheid belastingen pondspondsgewijs over de verschillende inkomenscategorieën te verdelen. En bij zo’n evenredige verdeling van de lasten zal geen enkele categorie zich overvraagd voelen. Immers, iedereen pakt zijn fair share. En ja, in geval van een dreigende oorlog en/of hogere zorgkosten zal elke ondernemer of particulier dat merken. Maar daarmee komt ook de solidariteit van de verschillende inkomenscategorieën met de problemen van de samenleving tot uitdrukking.
Dat de praktijk nu heel anders is doet daar niets aan af. Dat grote multinationals en de zeer vermogenden nu de dans ontspringen als het gaat om belastingheffing is even absurd als dat we nog steeds de overschrijding van de planetaire grenzen accepteren, dat wij de oneerlijke concurrentie vanuit China blijven gedogen en te weinig focussen op onze kerncompetenties. We zullen het roer drastisch moeten omgooien om te bereiken dat we minder groeiafhankelijk worden en toewerken naar een economie die binnen de planetaire grenzen blijft en weer dienstbaar aan de mens zal zijn.
Voetnoten
[1] Ontleend aan Paul Schenderling in Continent van de Kwaliteit, pag.97 e.v., Botuitgevers, oktober 2025.
[2] Van der Zanden J.L. et al. Welvaartsgroei blijft sinds 1950 achter bij de economische groei, ESB, april 2021.
[3] Rapport Peter Wennink, De Route naar Toekomstige Welvaart, december 2025.
[4] Rotmans,J; Publicatie in NRC op 10 januari 2026.
[5] Schenderling,P. Continent van de Kwaliteit, Hoe Europa een eigen economische koers kan varen, 2025.
[6] idem.

Strategisch Planecomoom zegt
Mooi artikel. Het begint al met het feit dat niet alle kosten in de kostprijs worden meegerekend. De schade die aangebracht wordt (denk aan uitstoot CO2, luchtten bodemverontreiniging kosteloos dumpen) wordt voor gemakshalve vergeten. Biologisch evenwicht heeft duizenden jaren gefunctioneerd. De laatste 100jr hebben we dat losgelaten en zijn we hard achteruit gerend zonder dat we dat hebben willen zien. Korte winst ipv lange termijndenken. Jammer dat de politiek ook maar een horizon heeft van 4 jaar.