Beleidsmakers hebben zich in de laatste decennia vooral bekommerd om de reductie van de inkomensongelijkheid in ons land. Het besef dat vermindering van de vermogensongelijkheid eveneens een essentieel onderdeel van beleid moet zijn, is pas veel later ontstaan.[1] Hoewel de eerste effecten van die aandacht zichtbaar zijn, is er nog een lange weg te gaan. In hoeverre is ons belastingstelsel hier debet aan en wat kan en moet eraan worden veranderd?
Beeld: Pixabay
De aandacht voor de vermogensverdeling is belangrijk, omdat een te scheve verdeling van de vermogens negatieve maatschappelijke en economische effecten heeft op onze collectieve welvaart.[2] En dat er in ons land sprake is van een te ongelijke vermogensverdeling blijkt uit de zogenaamde Gini-coëfficiënt, waarbij een getal dichter bij 0 meer gelijkheid betekent en een waarde dichter bij 1 meer ongelijkheid aangeeft. Voor de vermogensongelijkheid bedraagt de Gini-coëfficiënt 0,72. En dat is hoog, zeker in vergelijking met een Gini-coëfficiënt van 0,29 voor de mate van inkomensongelijkheid.[3]
Uitstekend instrument
Uit historisch onderzoek blijkt een belastingheffing naar rato van ieders vermogen een uitstekend instrument te zijn om de vermogensongelijkheid in toom te houden.[4] Bij de introductie van het boxenstelsel in 2001 werd er echter bewust voor gekozen om de vermogensbelasting geheel af te schaffen. Daarmee werd de deur opengezet voor een steeds groter wordende vermogensongelijkheid.
Uit historisch onderzoek blijkt een belastingheffing naar rato van ieders vermogen een uitstekend instrument te zijn om de vermogensongelijkheid in toom te houden
Vanaf die tijd werden de inkomsten uit dat vermogen, zoals huur, rente en dividend, ook niet meer progressief, maar in een aparte box belast tegen een proportioneel tarief van (nu) 36 procent. Daarmee werd de belastingdruk voor de allerhoogste inkomens, die in hoofdzaak teren op hun vermogen, verlaagd. Het CPB berekende de belastingdruk voor de laagste inkomens daarentegen op 55 procent.[5] Dat komt door de combinatie van loonbelasting, indirecte belastingen als btw en accijnzen en de premies voor werknemersverzekeringen, die relatief zwaarder op de laagstbetaalden drukken.
Zwaarste lasten
De zwakste schouders dragen dus de zwaarste lasten in ons land. Die hoge belastingdruk is ook de belangrijkste reden, waarom de laagste inkomens in het geheel niet aan vermogensopbouw toekomen.[6] Het gevolg hiervan is dan ook dat de vermogensverhoudingen in ons land steeds verder uiteen konden gaan lopen. De interdepartementale studiegroep (IBO) rapporteerde in hun studie Vermogensverdeling in beeld (2022) dat de onderste 25 procent van de huishoudens, exclusief de pensioenreserves, zelfs een negatief vermogen hebben, terwijl de 10 procent rijkste huishoudens 61 procent van het totale vermogen in ons land bezitten. Zoemen we dan nog verder in op de top 1 procent, dan bezit deze groep nog steeds 26 procent van het totale vermogen in ons land.
En heel interessant is dat volgens de IBO 60 procent van het vermogen van deze groep bestaat uit zogenaamd aanmerkelijk belang. Aanmerkelijk belang ontstaat wanneer de directeur-eigenaar van een besloten vennootschap (bv) de winst die hem toekomt, als vordering op zijn onderneming, in de bv laat zitten. Voor een gedeelte is dat terecht, omdat daarmee opnieuw investeringen gedaan kunnen worden. Maar de IBO vraagt zich af of dat wel een reservering ter grootte driekwart van de jaarlijkse winst rechtvaardigt? De commissie Van Dijkhuizen, die in 2013 onderzoek deed naar hervorming van het belastingstelsel, constateerde al dat directeuren- eigenaar op grote schaal gebruik c.q. misbruik maken van het boxenstelsel en adviseerde daarom een forfaitaire heffing op de ingehouden winst op te leggen, die bij uitkering met de box 2-heffing verrekend zou worden.[7]
Box 2
Het sterke vermoeden bestaat, dat die ingehouden winsten in de bv gelaten worden, om zo de box 2-heffing te ontgaan en in plaats daarvan een lening voor privédoeleinden af te sluiten bij de bv. Anno 2025 kan de directeur-eigenaar nog steeds onbeperkt lenen voor de aanschaf van een eigen woning en daarnaast nog maximaal tot een half miljoen voor andere privébestedingen lenen. Over 2021 rapporteert het CBS een totale schuld van eigenaren aan hun vennootschap van 61 miljard.[8] Met het uitstel van winstuitkering ontvangt de fiscus (veel) later de winstbelasting (31 procent) en loopt zij inkomsten in box 3 mis. En via de doorschuifregeling kan de belastingheffing in box 2 oneindig en over veel generaties worden uitgesteld.
Over 2021 rapporteert het CBS een totale schuld van eigenaren aan hun vennootschap van 61 miljard
Het is evident dat dit onbedoeld gebruik van box-2 gelden de vermogensongelijkheid in ons land aanzienlijk vergroot. Het is voor de gemiddelde belastingbetaler ook moeilijk te verteren om te zien hoe directeuren-eigenaar de belastingmoraal aan hun laars lappen. Niet voor niets wordt de box 2 ook wel schertsend aangeduid als de ‘pret-box’.
Er is uit het oogpunt van rechtvaardigheid en moraliteit alle reden voor om box-2 in het geheel uit te faseren. Er is immers geen enkel bedrijfseconomisch belang mee gemoeid. Ook ontstaat er zodoende een level playing field met de eenmanszaak,die immersniet over zo’n fiscale trukendoos beschikt.
Waagschaal
Afschaffing van box 2 zou betekenen dat het winstaandeel van de directeur-aandeelhouder voortaan volledig als inkomen uit arbeid belast wordt. En dat investeringen die hij doet, net als bij de eenmanszaak, in box 1 aftrekbaar worden. Zo blijft voor ieder zichtbaar welk deel van de oorspronkelijke winst van de bv daadwerkelijk geïnvesteerd wordt.
Na uitfasering van box 2 is het nog de vraag waarom box 3 wel nog gehandhaafd zou moeten worden. Waarom niet net als voor invoering van het boxenstelsel alle vermogensinkomsten op dezelfde wijze als arbeidsinkomsten belasten? Het veelgehoorde argument, dat vermogens in dat geval in het buitenland gestald zullen worden, is niet realistisch. Wie wil nou, omwille van het belastingvoordeel, gaan emigreren en daarmee de band met familie en vrienden in de waagschaal plaatsen?
Met de afschaffing van de boxen 2 en 3 zijn we feitelijk in de situatie beland, zoals die was voor 2001. Alleen ontbreekt dan nog de belastingheffing naar rato van het vermogen, zoals die daarvoor bestond.
Dat zou omwille van de vermindering van de vermogensongelijkheid een goede zaak zijn. Nu er echter plannen bestaan om vanaf 2028 de waardeaangroei van alle verhandelbare assets op vergelijkbare wijze als de vermogensinkomsten te belasten, zou herinvoering van oude vermogensbelasting wat dubbelop zijn.
De afschaffing van het boxenstelsel zal een substantieel effect hebben op de Gini-coëfficiënt van de vermogensongelijkheid. En de extra belastingopbrengsten, die hieruit ontstaan, zouden heel goed aangewend kunnen worden om het uniforme tarief op arbeid en vermogen te verlagen. Zodoende hebben alle belastingplichtigen daar profijt van.
Voetnoten
[1] IBO, Vermogensverdeling in Beeld. Juli 2022. Pag. 12.
[2] IBO Vermogensverdeling in Beeld, pag. 16.
[3] CBS over 2023.
[4] Kooiman, R: De Sterkste Schouder. Wat de geschiedenis ons leert over (on)eerlijke belastingen; 2025.
[5] CPB: Ongelijkheid en herverdeling; Policybrief, maart 2022.
[6] Zie noot 4.
[7] Rapport Commissie Dijkhuizen; Naar een activerender belastingstelsel, 17 juni 2013.[8] CBS Statline; Inkomens en vermogens van huishoudens, 2021-2023.

Geef een reactie