Ik heb lang geaarzeld of ik dit boek[1] wel zou bespreken. Dat is, ik geef het onmiddellijk toe, een vreemde openingszin voor een bespreking. Ik zal er dan ook geen gewoonte van maken en ik probeer het uit te leggen.
Beeld: Pixabay
Mijn aarzeling had zeker niet te maken met de kwaliteit van het boek en zelfs niet met de wel heel forse omvang. Een Adres. De geschiedenis van de Joodse onderduik is een indrukwekkend relaas over Jodenvervolging en onderduik in Nederland tussen 1940 en 1945. Het is breed gedocumenteerd en goed geschreven; leesbaar, ondanks het onmetelijke leed dat de revue passeert. Mijn aarzelingen hebben wel te maken met het feit dat ik, vooraf, verwachtingen van het boek had, die niet of maar in beperkte mate bleken te kloppen.
Wat ik verwacht had, was een boek over onderduik als stelsel. Over hoe bijvoorbeeld de adressen uit de titel van het boek gevonden werden, over hoe onderduikers en onderduik verschaffers met elkaar in contact kwamen, over hoe voor financiering, bonkaarten en valse persoonsbewijzen werd gezorgd. Toegegeven, tot op zekere hoogte komt dat allemaal wel enigszins aan de orde maar het vormt zeker niet de kern van dit boek.
Historische empathie
Centraal in dit boek staan wel de persoonlijke ervaringen en herinneringen van onderduikers en van de dappere Nederlanders die voor ‘een adres’ – en voor alles wat daar verder bij kwam kijken – zorgden. Vaak met gevaar voor eigen leven. Overigens duurt het best wel lang voordat de auteur aan dit centrale thema toekomt. De aanloop naar de Tweede Wereldoorlog in ons land en de eerste jaren van de bezetting worden uitgebreid beschreven.
Nieuw zijn die schetsten allerminst. Maar ze zijn toch interessant en van belang omdat ze laten zien hoe geleidelijk, misleidend maar ook planmatig de anti-Joodse maatregelen vanaf het begin van de bezetting werden ingevoerd. Bijna ongemerkt werd een bevolkingsgroep afgezonderd, beroofd van rechten en later ook van bezit en uiteindelijk, veelal, ook van hun leven. Voor veel naïeve niet-Joodse maar ook Joodse burgers drong enig besef waar dit heen zou gaan pas te laat door; toen er geen weg terug meer mogelijk was en actief verzet nauwelijks meer zin had.
Bijna ongemerkt werd een bevolkingsgroep afgezonderd, beroofd van rechten en later ook van bezit en uiteindelijk, veelal, ook van hun leven
Vanuit het perspectief van ‘historische empathie’ (p. 353) leeft de auteur zich in in de posities van onderduikers en onderduikgevers en vraagt ze zich terecht af waarom maar zo weinigen en pas zo laat besloten zich aan de Duitse terreur te onttrekken. Dat perspectief laat veel ruimte om de uitermate lastige afwegingen aan beide kanten van de onderduik te laten zien. Maar, zoals gezegd, het stelsel achter de onderduik blijft wat onderbelicht. Dat is jammer omdat, zeker in de tweede helft van de oorlog, allerlei verzetsgroepen en anti-Nazi netwerken een belangrijke rol hebben gespeeld. Alleen al de zo belangrijke financiering van de onderduik (en van het verzet in algemene zin) is een verhaal apart. Maar dat is inderdaad al eerder geschreven en komt hier slechts heel kort aan de orde.
Relevanter dan ooit
Dat ik uiteindelijk toch besloten heb dit boek te bespreken, heeft alles te maken met een aantal lessen die uit dit dramatische deel van onze geschiedenis te trekken zijn. Meer algemene lessen, die vandaag de dag misschien wel relevanter zijn dan ooit. Lessen over falend leiderschap, bestuurlijk onvermogen, over politieke stemmingmakerij die niet zonder gevolgen blijft, over demonisering, uitsluiting en (uiteindelijk) uitbanning. Lessen ook over (grenzen aan) ambtelijke loyaliteit, over het wel of niet trekken van persoonlijke morele grenzen en over het wel of niet willen weten wat er gebeurt – ‘is het echt zo erg of zijn het maar geruchten’? Ik licht een paar belangrijke lessen nader toe.
Opvallend, maar allerminst nieuw, is de les hoezeer topleiderschap kan falen in crisistijd (p. 418 ev.). Dat gold voor Koningin Wilhelmina die zorgvuldig leek te vermijden in haar toespraken te refereren aan het lot van haar Joodse landgenoten: een lot dat ze zeker al in de loop van 1942 heeft moeten kennen.[2] Het gold, misschien nog wel meer, voor het absolute onvermogen van het kabinet in ballingschap in Londen. Binnen de Joodse gemeenschap in Nederland gold het voor de rol van de (Amsterdamse) Joodse Raad. Leiders uit de eigen gemeenschap die, deels misschien uit naïviteit maar deels ook uit eigenbelang, tot het bittere eind hand- en spandiensten verleenden aan de bezetter.[3]
Door het overhaaste vertrek van regering en vorstin naar Londen en door gebrek aan deugdelijke instructies bleef het overheidsapparaat min of meer stuurloos achter. De wijze waarop de ambtelijke top dat hiaat probeerde te vullen door trouw te zijn aan het nieuwe (Duitse) gezag is een les op zichzelf. Die les luidt: bezint eer ge begint. Ambtelijke-loyaliteit zonder persoonlijke grenzen bleek ten tijde van WOII uiteindelijk een glijdend pad naar medeplichtigheid aan moord.
De wijze waarop de ambtelijke top dat hiaat probeerde te vullen door trouw te zijn aan het nieuwe (Duitse) gezag is een les op zichzelf
Ook hier – net als bij de Jodenvervolging zelf – was sprake van incrementalisme: stap voor stap in een perfide fuik terechtkomen omdat men zich (te lang) coöperatief had opgesteld. De Nederlandse ambtenaar die dat bijna niet te vervalsen persoonsbewijs ontwikkelde, Jacques Lentz, was geen nazi maar uiteindelijk wel (mede)verantwoordelijk voor de dood van zeer velen. Iets soortgelijks gold voor politiemensen en trambestuurders bij razzia’s en voor vele, vele anderen die de overheid draaiende hielpen houden. Daarin niet moreel gestuurd door ‘Londen’. Misschien, hopelijk, zijn ambtenaren vandaag de dag mondiger en autonomer en dus beter in staat zelf grenzen te trekken. Dat is ook hard nodig want op veel plaatsen speelt de vraag hoe ver ambtelijke loyaliteit en coöperatie kan en moet gaan vandaag de dag weer nadrukkelijk.
En dan is er de les hoe vergaand de gevolgen kunnen zijn van het systematisch demoniseren van een bevolkingsgroep. Ook dat is een thema dat nu actueler is dan de meeste van ons lief zal zijn.
Vijandbeelden
Ten tijde van WOII eindigde wat begon met woorden letterlijk in dood en verderf.
De parallel met nu is in die zin zwak dat er momenteel geen aanwijzingen zijn voor een zo systematische en gewetenloze vervolging en uitroeiing van minderheden als ten tijde van de bezetting. Maar de les die er wel uit te trekken valt is dat woorden – negatieve beelden, fake news – ertoe doen. Ook als ze dus geen enkele feitelijke basis hebben. Vijandbeelden zijn allerminst ongevaarlijk. Zeker niet als ze bedoeld zijn om bestuurlijk onvermogen te maskeren, door onopgeloste problemen als woningnood, onveiligheid of stijgende overheidsuitgaven aan een minderheid te wijten. Zo bezien heeft een boek als dit een hoge actualiteitswaarde.
Voetnoten
[1] Michal Citroen, Een Adres. De geschiedenis van de Joodse onderduik. Alfabet: 2024. 638 bladzijden.
[2] Zie de opmerkingen van Koning Willem-Alexander over de rol van zijn overgrootmoeder op 4 mei 2020 (p. 427).
[3] Recent is aan de kwalijke rol van de Joodse Raad een veelgeprezen EO-documentaire gewijd: https://www.eo.nl/tv/de-joodse-raad/overzicht.


Geef een reactie