Morele dilemma’s over toeslagen


Is het moreel te rechtvaardigen als mensen zich uit vrije keuze in de positie brengen waardoor zij afhankelijk zijn van toeslagen? Zouden we het recht op toeslagen niet moeten reserveren voor AOW’ers en diegenen die fulltime werken en desondanks voor hun bestaan afhankelijk zijn van zo’n inkomenssuppletie van de overheid?

Dat scheelt immers heel wat overheidsgeld en helpt mee om de krapte op de arbeidsmarkt te verminderen. Een aansprekend voorbeeld is dat van een alleenstaande vrouwelijke verpleegkundige die er vrijwillig voor koos om niet fulltime, maar in plaats daarvan 28 uur per week te werken, met de bedoeling om daarnaast nog voldoende ruimte te hebben voor andere activiteiten. Vanwege de hoogte van haar bruto jaarinkomen kwam ze als alleenstaande in aanmerking voor huur- en zorgtoeslag. Jammer zou je zeggen, want de zorg kan toch immers zoveel meer verpleegkundigen gebruiken? En waarom zou zij een beroep op ons sociale stelsel doen als zij zelf in die financiën kan voorzien door meer uren te werken? Maar haar tegenwerping was dat zij nagenoeg niets aan die extra uren zou overhouden.

Armoedeval
Het fenomeen dat hier aan de orde is betreft de problematiek van de armoedeval. De inkomensafhankelijkheid van ons toeslagenstelsel maakt dat werken tot een niveau van ongeveer het modale inkomen nagenoeg niet loont.
Ook degene die nu een fulltimebaan op basis van het minimumloon heeft en vervolgens een stevige promotie maakt waarmee hij of zij een modaal inkomen gaat verdienen, ziet het netto besteedbaar inkomen met slechts 4 procent toenemen. (Wouter Keller in Elsevier Weekblad van 11 september 2019).

‘Ons sociale stelsel deugt niet’

De beschreven gevallen verschillen in die zin dat de parttime verpleegkundige willens en wetens zichzelf in die afhankelijkheidssituatie heeft gebracht, terwijl de fulltime-werkende minimumloner helemaal niets te verwijten valt. Immers, het is geheel te wijten aan het niveau van het minimumloon dat deze werkende niet voldoende verdient om aan de minimumbestaansnorm te komen.
Vanuit een moreel normbesef zou je geneigd zijn om de betreffende verpleegkundige aan te spreken op haar verantwoordelijkheid. Meer uren werken voorkomt immers dat zij een beroep moet doen op het sociale zekerheidstelsel.

Geld
Maar even legitiem is om te erkennen dat ons sociale stelsel niet deugt. We kunnen hoog opgeven over het feit dat arbeid adelt, dat je zingeving en voldoening aan je werk ontleent, maar in de praktijk blijkt geld toch de belangrijkste prikkel te zijn. Dat geldt voor alle lagen van de bevolking en zowel voor werknemers als voor ondernemers. Natuurlijk kan hiertegen ingebracht worden dat deze stelling tekortdoet aan de vele vrijwilligers en mantelzorgers, die zich zonder enige financiële bezoldiging inzetten en de randvoorwaarden creëren voor een op welzijn gerichte samenleving. Maar dat is een andere discussie. Een systeem veronderstellen waarin de financiële prikkel er niet of veel minder ertoe doet, is bezijden de werkelijkheid. Onze economie draait nu eenmaal om geld.

‘Hoe kunnen we ons sociaaleconomisch systeem aanpassen?’

Zou de verpleegkundige in dit voorbeeld fulltime gaan werken, zou zij inderdaad meer bijdragen aan het Bruto Nationaal Inkomen, dus aan de collectieve welvaart.  Maar haar besteedbaar inkomen zou amper veranderen. In onze prestatiemaatschappij geldt het adagium ‘voor wat hoort wat’. En waarom zou in dit geval daarop een uitzondering gemaakt worden? Hoeveel vermogenden zijn er aan de andere kant van het spectrum niet die helemaal niets afdragen van de aanwas van hun belegd vermogen? En welke morele rechtvaardiging is daarvoor te vinden? Tegen die achtergrond is mijns inziens de vraag terecht met welk recht we dan een moreel appel zouden mogen doen op zo’n laagverdienende verpleegkundige? Zouden we niet eerder en beter ons de vraag moeten stellen hoe we ons sociaaleconomisch systeem aanpassen?

Het kan anders
We zouden ons meer moeten realiseren dat we de samenleving zoals die nu functioneert met z’n allen ontworpen hebben, inclusief de armoedeval die ik hiervoor beschreef. Als we daar nu de wrange vruchten van plukken, moeten we niet met de vinger wijzen naar degene die zich ogenschijnlijk onttrekt aan hetgeen wij als morele verplichting zien, maar ons realiseren dat tegelijkertijd er drie vingers naar ons als samenleving wijzen. Het fenomeen van de armoedeval kennen we al vele jaren en laten het gewoon bestaan, terwijl het toch heel anders kán.
De eerder aangehaalde Wouter Keller, die eerder hoogleraar econometrie en bestuurder van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) was, bood een alternatief stelsel, waarin het vraagstuk van armoedeval niet meer bestaat.  Zijn cijfermatig goed onderbouwde betoog, zoals hij tijdens een masterclass in februari 2020 onder auspiciën van de Vereniging Basisinkomen gaf, komt erop neer dat er een alternatief is, waardoor het hiervoor besproken morele dilemma niet meer bestaat. Keller ontwierp een stelsel waarin alle toeslagen, uitkeringen, heffingskortingen en aftrekposten verdwijnen. In plaats daarvan kiest hij voor het model van een verzilverbare heffingskorting ter grootte van het feitelijk te besteden inkomen van een bijstandsgerechtigde in combinatie met een vlaktaks voor de inkomstenbelasting van 50 procent. Dus het absolute bestaansminimum in combinatie met een loonheffing van 50 procent op iedere verdiende euro. Deze verzilverbare heffingskorting, die varieert met de samenstelling van de huishouding van de belastingplichtige, zou dus ten goede komen aan iedere Nederlander vanaf 18 jaar. Het Centraal Planbureau (CPB) heeft de berekeningen van Wouter Keller nog eens onder de loep genomen (CPB februari 2020) en komt tot de conclusie dat z’n vereenvoudiging nagenoeg budgetneutraal kan worden ingevoerd.

‘Het slechten van de barrière van de armoedeval zal deeltijdwerkers motiveren om meer uren te maken’

Als het dan zo eenvoudig is, wat houdt ons dan tegen? De minimumloner zou in het nieuwe model er gemiddeld twee procent in besteedbaar inkomen op vooruit gaan, maar belangrijker is dat hij van iedere extra euro die hij er bruto op vooruit gaat, er de helft aan koopkracht overhoudt. Dat geldt in dezelfde mate voor de verpleegkundige die nu wel de financiële prikkel ervaart en wellicht eerder te motiveren is om meer uren in de zorg te investeren.
Meer in z’n algemeenheid is de verwachting gerechtvaardigd dat door het slechten van de barrière van de armoedeval de deeltijdwerkers zal motiveren om meer uren te maken. Werken gaat immers weer lonend zijn! Redenen genoeg dus om, zeker gelet op de bestaande krapte op de arbeidsmarkt, snel het roer om te gooien.

Vond je dit artikel interessant? Lees alle artikelen van: Jan Soons
Deel dit artikel

Er zijn nog geen reacties op dit artikel

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

*