Maatschappelijk onbehagen

De implicaties voor het openbaar bestuur

Vindt u dat het de slechte kant op gaat met Nederland? Het merendeel van de Nederlanders beantwoordt die vraag bevestigend, zo blijkt uit cijfers van het SCP. Zij zijn pessimistisch over de toekomst van de samenleving. Het is een breed gedeeld gevoel van maatschappelijk onbehagen. Nederlanders uiten dat in zorgen over de omgangsvormen tussen mensen, zorgen over de ontwikkeling van de werkgelegenheid of zorgen over de vraag of hun stem nog wel doorklinkt in de politiek.

Daar is een nieuwe zorg bijgekomen, namelijk die over het maatschappelijk onbehagen zelf. De nieuwe zorg luidt: hoe moeten wij omgaan met het (toenemende) maatschappelijk onbehagen bij mensen? Dat wij ons hier nu zorgen over maken is niet vreemd. Het maatschappelijk onbehagen manifesteert zich immers duidelijker, zoals bij het Brexit-referendum of de verkiezing van Donald Trump. Het thema leeft ook sterk bij bestuurders. Dat bleek alleen al uit de analyse van de nieuwjaarstoespraken, die in een eerdere bijdrage deze maand op platform Overheid verscheen. Commissarissen en burgemeesters uitten daarin hun zorgen over het onbehagen van mensen over de toekomst, de toenemende polarisatie tussen groepen in de samenleving en het gebrek aan handelingsperspectieven voor de overheid.

‘Het thema ‘maatschappelijk onbehagen leeft sterk bij bestuurders’

In deze bijdrage willen wij ingaan op een duiding van maatschappelijk onbehagen, waarbij wij vooral focussen op de implicaties voor het openbaar bestuur. Daarbij is de achterliggende vraag vooral of het maatschappelijk onbehagen een probleem is voor het openbaar bestuur. De onderstaande bijdrage is gebaseerd op een bredere verkenning over maatschappelijk onbehagen, dat u hier kunt lezen.

Maatschappelijk onbehagen
Het is niet eenvoudig een korte en bondige definitie te geven van maatschappelijk onbehagen. Het is misschien nog wel het best te duiden als het gevoel dat de achteruitgang van de samenleving onbeheersbaar en daardoor ook niet te stoppen is. Maatschappelijk onbehagen wordt ook vaak in verband gebracht met de vraag of mensen geloven dat zij het nog net zo goed krijgen als hun voorouders, of dat hun kinderen het nog net zo goed krijgen als zijzelf. Een aantal decennia konden ouders met enige zekerheid zeggen, dat hun kinderen het wel degelijk beter zouden krijgen. Tegenwoordig is die zekerheid veel minder groot. Socioloog Eefje Steenvoorden heeft maatschappelijk onbehagen gedefinieerd als een latente bezorgdheid onder burgers over de precaire staat van de samenleving. Deze bezorgdheid gaat niet zozeer over het eigen leven, maar over de toekomst van de samenleving als geheel. Paul Schnabel noemde dat ook wel als: ‘Met mij gaat het goed, met ons gaat het slecht.’

Verklaringen
In deze korte beschouwing willen wij niet ingaan op de verklaringen voor maatschappelijk onbehagen, maar wij kunnen er ook niet geheel aan voorbijgaan. Wij kiezen er daarom voor om de verklaringen hier te benoemen, maar deze verder niet uit te werken. Voor een nadere uitwerking verwijzen wij graag naar onze verkenning. Conceptueel onderscheiden wij hieronder drie mogelijke verklaringen. Wij willen echter benadrukken dat het maatschappelijk onbehagen bij mensen juist een samengaan van de verschillende factoren is:

  • Sociaal-cultureel: de sociaal-culturele verklaring kan in grote lijnen worden samengevat als een overgang van de georganiseerde samenleving naar de vloeibare samenleving. Het gaat dan om het wegvallen van traditionele instituties, de toenemende individualisering en de daarmee samenhangende prestatiesamenleving
  • Sociaal-economisch: de sociaal-economische verklaring vindt vooral zijn basis in de toenemende globalisering, waardoor bepaalde groepen in de samenleving er (in absolute of relatieve zin) op achteruit zijn gegaan.
  • Politiek: de politieke verklaring gaat vooral om de afnemende grip van de nationale politiek op de samenleving en de afnemende betekenis van omvattende ideologieën in de politiek.

‘Burgers hebben de afgelopen decennia minder vertrouwen gekregen in politieke partijen en politieke ambtsdragers’


In deze bijdrage willen wij vooral wat langer stil staan bij de implicaties van het maatschappelijk onbehagen voor het openbaar bestuur. De achterliggende vraag daarbij is of dit onbehagen een probleem vormt voor het functioneren van het openbaar bestuur. Hieronder willen wij ingaan op vier mogelijke implicaties voor het openbaar bestuur. 

  1. Legitimiteit van het overheidshandelen

Maatschappelijk onbehagen zet druk op de legitimiteit van het overheidshandelen. Het gaat hier uitdrukkelijk om een schaal, die reikt van wantrouwen jegens de politiek en overheid tot de verminderde navolging van wet- en regelgeving. Op dit moment richt het maatschappelijk onbehagen zich vooral op de legitimiteit van een aantal actoren, zoals politieke partijen en politieke ambtsdragers. Het gaat daarbij minder om het democratische systeem als zodanig. Burgers hebben de afgelopen decennia minder vertrouwen gekregen in politieke partijen en politieke ambtsdragers. Vooralsnog is er geen sprake van verminderde navolging van regelgeving, maar er is wel degelijk sprake van een substantieel wantrouwen.

  1. Veranderend politiek landschap

Maatschappelijk onbehagen leidt tot een verandering in electorale voorkeuren van burgers. Mensen bij wie een groot maatschappelijk onbehagen heerst, hebben een grotere electorale voorkeur voor partijen die de oorzaken voor dit onbehagen benoemen. Het gaat dan om (een combinatie van) de reeds genoemde oorzaken: sociaal-culturele, sociaal-economische en politieke oorzaken. Populistische partijen – vooral rechts-populistische – waren de eerste die een narratief naar voren brachten, waarin de samenleving onder vuur is komen te liggen door specifieke exogene factoren (migranten, globalisering, machtige bedrijven, corrupte (EU)-politici) de schuld te geven van de achteruitgang. In dit narratief wordt vaak de nieuwe partij met een nationalistisch profiel gezien als de enige actor die in staat is deze misstanden te onderkennen en met oplossingen te komen. De vraag is natuurlijk of de verandering van het politieke landschap problematisch is voor het functioneren van het openbaar bestuur. Voor ons wordt dit pas problematisch als de veranderingen in het politieke landschap resulteren in onbestuurbaarheid, bijvoorbeeld doordat coalitievorming niet mogelijk is of het bestuur instabiel is.

  1. Politieke agendering

Maatschappelijk onbehagen draagt bij aan een verandering van onderwerpen op de politieke agenda. Door de geuite zorgen van mensen in de samenleving adresseert de politiek deze issues. Maatschappelijk onbehagen leidt dan uiteindelijk tot een koerswijziging van het beleid. Hierdoor kan het object van maatschappelijk onbehagen uiteindelijk verdwijnen, waardoor het onbehagen zelf ook afneemt. Dat hebben we bijvoorbeeld gezien aan het einde van de negentiende eeuw bij de sociale kwestie en het kiesrecht. Aan het begin van de eenentwintigste eeuw is dat deels gebeurd met het adresseren van de integratieproblematiek. Voor die tijd bestond het optimistisch beeld dat de integratie van nieuwkomers redelijk goed slaagde. Na onder meer de opkomst van Fortuyn en de publicatie van ‘Het multiculturele drama’ kwamen de problemen met de integratie van nieuwkomers hoog op de agenda.

  1. Normoverschrijding

Maatschappelijk onbehagen kan in uiterste gevallen ook leiden tot normoverschrijding. Dat gebeurt vaak als gevolg van een incident of een gebeurtenis. De latente bezorgdheid van mensen komt dan aan de oppervlakte; het transformeert van onderstroom naar bovenstroom. In het Nederlandse verleden hebben wij diverse keren gezien, dat een bestaand onbehagen leidde tot opstand of oproer, zoals het beroemde Palingoproer in 1886. Ook recentelijk zijn daar voorbeelden van te geven. Zo verzamelden demonstranten zich op 6 mei 2002 bij het Torentje nadat Pim Fortuyn was neergeschoten in Hilversum. Zij uitten hun onvrede onder meer door auto’s in de brand te steken in de nabijgelegen parkeergarage. Ook in de afgelopen twee jaar waren er gewelddadige incidenten, zoals bij de protesten tegen de komst van AZC’s, de zwarte pieten-discussie en de dood van de Arubaanse Mitch Henriquez door politie-optreden in Den Haag. De vraag is uiteraard wat het handelingsrepertoire is van bestuurders als dergelijke normoverschrijdingen als gevolg van maatschappelijk onbehagen zich voordoen.

Kansen
Maatschappelijk onbehagen heeft feitelijke implicaties voor het functioneren van het openbaar bestuur. Hierboven hebben wij de – voor ons – belangrijkste vier genoemd. Het is belangrijk dat de discussie gevoerd wordt over deze implicaties; niet alleen in termen van risico’s, maar ook in termen van kansen. Vervolgens is het mogelijk uitspraken te doen over de handelingsperspectieven van het openbaar bestuur: hoe moeten politiek en overheid omgaan met dit maatschappelijk onbehagen? Met dit artikel – en de uitwerking in onze verkenning – willen wij een bijdrage leveren aan deze discussie.

Boudewijn Steur, Ellen van Doorne en Thomas Zandstra werken voor het ministerie van BZK. Ze schrijven deze bijdrage op persoonlijke titel.

Vond je dit artikel interessant? Lees alle artikelen van: Boudewijn Steur, Ellen van Doorne en Thomas Zandstra
Deel dit artikel

Er is 1 reactie op dit artikel

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

*

    ">Joop Böhm

    Dat er een maatschappelijk onbehagen heerst is duidelijk en ook zeer wel verklaarbaar. Het is te wijten aan het overheidsbeleid van de afgelopen decennia.
    De alsmaar toenemende ongelijkheid van inkomens en vermogens maakt dat slechts een relatief klein deel van de bevolking welvarend is terwijl een steeds groter deel in geldnood komt te verkeren. De overheid besluit daar zelf toe: Werkenden (waartoe ook de beleidsmakers behoren) krijgen allerlei fiscale voordelen, terwijl “inactieven” , zoals gepensioneerden, gekort worden op hun inkomen en fiscaal worden benadeeld.
    Dat effect wordt nog versterkt door willens en wetens de primaire kosten van levensonderhoud te verhogen. Kijk maar naar de kosten van energie, water en benzine. Het grootste deel van de kosten bestaat zo langzamerhand uit belastingen en accijnzen.
    Juist die belastingen zijn sterk degressief. Voor een gezonde samenleving zou de belasting naar draagkracht moeten worden geheven, dus juist progressief.
    Hoe lossen we dat op?
    • Voer een UBI in dat hoog genoeg is voor een onbekommerd bestaan (boven 60% van het mediaan inkomen) voor iedere burger van 18 jaar en ouder en 20% daarvan voor hen die jonger zijn.
    Over andere inkomsten is verschuldigd:
    • Inkomstenbelasting: 40%;
    • Premie voor ouderdomsuitkeringen door het Rijk: 10% t.l.v. werknemer plus 10% t.l.v. werkgever;
    • Topbelasting: 30% over inkomsten boven modaal.
    Opmerkingen:
    • De Pensioenfondsen kunnen worden opgeheven en het pensioenvermogen vervalt aan het Rijk (met de uitkeringsverplichting);
    • De hoogte van de pensioenuitkeringen worden gerelateerd aan de hoogte van de betaalde Inkomstenbelasting, rekening houdend met de geldontwaarding (belasting betalen wordt dus “lonend”!);
    • De door het Rijk gegarandeerde pensioenuitkeringen worden waardevast of welvaartsvast en zijn dus niet meer afhankelijk van de “grillen” van de economie! (Volatiliteit wordt door de overheid opgevangen).

    01 mrt 2017