‘Gewoon je werk doen’ klinkt als een onschuldige ambtelijke deugd. Maar wat als dat werk in dienst komt te staan van een onrechtmatig, gewetenloos regime? In Een kwestie van uitvoering laat Jeroen Kemperman zien hoe het Amsterdamse overheidsapparaat tijdens de Duitse bezetting niet alleen bestuurde, registreerde en uitvoerde, maar daarmee ook bijdroeg aan uitsluiting, vervolging en deportatie. Juist daarom is dit boek geen afgesloten geschiedenis van tachtig jaar geleden, maar een ongemakkelijk actuele les over loyaliteit, verantwoordelijkheid en de morele grenzen van uitvoering.
Beeld: Pixabay
Kijk naar wat Donald Trump, als president van de VS, in een jaar tijd heeft aangericht. Internationaal maar ook binnenslands. We kijken met verbazing of verbijstering zelfs hoe hij de top(pen) van het Amerikaanse overheidsapparaat naar zijn hand zet. Maar, eerlijk is eerlijk, dat is niet nieuw. Politieke benoemingen van topfunctionarissen zijn in de VS nu eenmaal gebruikelijk. Al kun je je wel afvragen of deze specifieke benoemingen – bijvoorbeeld een ex-presentator van Fox News als minister van defensie/oorlog – gangbaar zijn.
Veel verbazingwekkender en vooral heel verontrustend is het gemak waarmee Trump en zijn vazallen ook het uitvoerende overheidsapparaat naar hun hand zetten. Een OM bijvoorbeeld dat zich voor een groot deel kritiekloos inzet voor de heksenjacht van de president op vermeende ‘vijanden’. Of een organisatie als de immigratiedienst ICE die zich, het lijkt wel enthousiast, inzet voor de jacht op immigranten, daarbij rechten en rechtsregels aan zijn laars lappend. Of denk aan de Nationale Gardisten, die – op basis van fake news van hun president – Democratische steden ‘bezetten’. Zonder rechtsmacht en tegen de wil in van het bevoegde lokale en regionale gezag.
Les
Eigenlijk zou de meegaandheid van het uitvoerend apparaat ons veel meer moeten verontrusten dan de capriolen van een president en zijn entourage, die immers over een paar jaar weer weg zijn. Het zijn immers bij uitstek de (ambtelijke) professionals binnen het overheidsapparaat die voor continuïteit zouden moeten zorgen en dus ook voor bescherming tegen de politieke waan van de dag. Maar de harde werkelijkheid blijkt er één van meegaandheid; van gezagsgetrouwheid die heel ver blijkt te gaan (cf. p. 423). Hoe verschrikkelijk verkeerd dat af kan lopen, leert ons de recente geschiedenis van ambtelijke organisaties ten tijde van de Tweede Wereldoorlog.[1]
Het mooie boek dat Jeroen Kemperman schreef over het Amsterdamse overheidsapparaat onder de Duitse bezetting[2] is dan ook meer dan louter geschiedschrijving. Het is of zou ook vooral een les moeten zijn hoe (te) ver doorgevoerde ambtelijke loyaliteit rampzalig kan uitpakken. Op zich is ambtelijke loyaliteit natuurlijk een groot goed. Politiek-verantwoordelijke bestuurders beslissen. Ambtenaren bereiden die beslissingen voor en voeren ze, na besluitvorming, uit. Zelfs als ze het daar niet mee eens zijn. Onder normale omstandigheden werkt het zo en dat is goed.
Foute beslissingen kunnen mensenlevens kosten; veel mensenlevens zelfs
Maar, net als grondrechten, is loyaliteit niet onbegrensd. Het veronderstelt, al is het maar impliciet, democratisch en rechtsstatelijk gefundeerd bestuur. Als daar geen sprake meer van is, moeten ambtenaren heel goed nadenken of ze hun bestuur – maar indertijd vaak ook rechtstreeks de Duitse bezetter (p. 412) – nog wel kunnen en willen dienen. Foute beslissingen op dit punt kunnen, zoals Kemperman laat zien, mensenlevens kosten. Heel veel mensenlevens zelfs.
Joden, prostituees en homoseksuelen
Kemperman’s boek is het resultaat van een onderzoeksopdracht van de gemeente Amsterdam. Nadat eerder onder meer het oorlogsverleden van de Amsterdamse politie uitgebreid beschreven was, werd het nu tijd om ruimer naar de rol van het gemeentelijk apparaat in Amsterdam tijdens de Duitse bezetting te kijken. Kemperman doet dat in dit omvangrijke boek waarin elke bewering grondig onderbouwd wordt en een uitvoerige casuïstiek laat zien hoe het er in de praktijk van die tijd aan toeging.
Soms levert dat bizarre beelden op. Bijvoorbeeld in het geval van de Jodenvervolging, waar ambtenaren van Bevolking en van het Gemeentelijke Bureau van Statistiek zich beijverden om vooral tot op de laatste man en vrouw in beeld te brengen wie tot de Joodse bevolking behoorde en waar die precies woonde (zie onder andere hoofdstuk 3 over de stippenkaart). Werkelijk surrealistisch zijn ook de maandenlange inspanningen die Nederlandse bureaucraten zich, in samenspraak met de Duitse bezetter, getroosten om zelfs in een enkel individueel geval te zorgen dat Joden en niet-Joden op de juiste wijze gescheiden blijven (p. 277-283).
De Jodenvervolging neemt een centrale plaats in dit boek in. Maar Kemperman besteedt ook aandacht aan het repressieve optreden tegen (veronderstelde) prostituees en homoseksuelen. Wat de laatste groep betreft is er overigens opvallend en verontrustend veel overeenkomst tussen vooroorlogse repressie, optreden ten tijde van de bezetting en zelfs het optreden in de eerste jaren na de bevrijding (hoofdstuk 8). Tenslotte komt ook de naoorlogse zuivering in het boek aan de orde. Vooral aan de hand van een aantal casus laat Kemperman zien hoe kwetsbaar, onvoorspelbaar en dus ook omstreden die zuiveringsprocedures waren (hoofdstuk 9).
Geen helden
Wat het boek ons uiteindelijk leert is dat de meeste mensen – ambtenaren in dit geval – geen helden zijn (cf. p.420/421). Dat is begrijpelijk. Het duurt enige tijd voordat mensen doorkrijgen wat er gebeurt. Misschien, zo redeneren ze, kunnen ze leed voorkomen door op hun post te blijven. Want als ze weg gaan komt er waarschijnlijk een NSB’er of een Duitser op hun plek (zie ook hoofdstuk 7 ‘Verzachten van leed’). Achteraf gezien is die opstelling grenzeloos naïef te noemen.
Mensen zijn ook gewoon bang. Bang hun baan te verliezen, hun gezin niet meer te kunnen onderhouden, in een toch al moeilijke tijd. Ze zijn ook bang voor represailles als boetes, gevangenisstraf of erger. Met een steeds gewetenlozer wordend regime als dat van de Duitse bezetter is dat ook invoelbaar. En toch, toch blijft voor iedereen altijd de vraag hoever je uiteindelijk mee kunt gaan in het dienen van een niet-legitiem perfide regime (onder andere p.414).
Persoonlijk morele grenzen
De vraag waar precies je persoonlijke morele grenzen liggen, dient zich al snel aan voor topfunctionarissen als (op landelijk niveau) de secretarissen-generaal en wethouders, burgemeester en directeuren op gemeentelijk niveau.
Naarmate de bezetting voortduurt en verhardt, wordt die vraag ook nijpend voor ‘gewone’ ambtenaren: politiemensen, trambestuurders, medewerkers van het bevolkingsregister of van het gemeentelijk Bureau van Statistiek, zorgverleners etcetera. Eigenlijk voor iedereen in gemeentelijke dienst, blijkt in dit boek.
Weinigen hadden het lef hadden om moreel juiste beslissingen te nemen: vertrek uit de ambtelijke dienst, stille tegenwerking, openlijk verzet, sabotage
Helaas moet de conclusie luiden dat maar weinigen het lef hadden om moreel juiste beslissingen te nemen: vertrek uit de ambtelijke dienst, stille tegenwerking, openlijk verzet, sabotage. Wat daarbij ook niet hielp was falend leiderschap. Een deel van de bestuurders en ambtelijke topfunctionarissen werd al snel door deutschfreundliche medewerkers vervangen. Maar diegenen die wel mochten blijven, waren ook zelden een sterk moreel kompas voor hun medewerkers. Kort samengevat: men deed gewoon zijn werk, al was het een buitengewone tijd.[3] De desastreuse gevolgen daarvan werden later door de naoorlogse zuivering en de Bijzondere Rechtspleging gedetailleerd in beeld gebracht. Voor Kemperman’s studie vormden die archieven een belangrijke bron.
Schaars
Een bespreking als deze kan onmogelijk recht doen aan de detailrijkdom en de sterke onderbouwing van Kemperman’s omvangrijke geschiedschrijving. Ontdaan van alle (terechte) nuances in een wetenschappelijke studie, als deze, komt de harde boodschap uit dit boek erop neer dat vrijwel iedereen ‘gewoon’ zijn werk deed. Ook – zelfs – als dat leidde tot uitsluiting, ontrechting en later ook deportatie en vernietiging van de Joodse medeburgers. Niet meer en niet minder dan dat. Ook binnen een ambtelijk apparaat zijn helden inderdaad schaars.
Op zich is dat al een ontluisterende conclusie. Maar het is zeker nu, ten tijde van Trump-II, ook een uiterst verontrustende boodschap. De relevantie van dit boek reikt dan ook veel verder dan ‘alleen maar’ een mooie bijdrage aan de geschiedschrijving van de Duitse bezetting, meer dan tachtig jaar geleden. Het is vooral ook een actuele ‘wake-up call’, die laat zien hoe snel, gemakkelijk en drastisch een overheidsapparaat kan ontsporen en met welke vreselijke gevolgen. Uitwassen, als van de Amerikaanse immigratiedienst ICE, worden mogelijk omdat een kleine fanatieke groep zich er met hart en ziel voor inzet en een hele grote groep ‘gewoon zijn werk doet’.
Verantwoordelijke beslissers
Ambtelijke loyaliteit – de kernwaarde van iedere overheidsbureaucratie – is een groot goed. Politiek en bestuur hebben het voor het zeggen. Zij zijn uiteindelijk de verantwoordelijke beslissers. Ambtenaren hebben een dienende rol, ongeacht de vraag of ze persoonlijk gelukkig zijn met het beleid. Die duidelijke demarcatie van rollen, bevoegdheden en verantwoordelijkheden geldt echter niet onbeperkt.
Wel in een normaal functionerende democratische rechtsstaat. Niet echter, om een term van socioloog Cor Lammers te gebruiken, ten tijde van vreemde overheersing.
Zoals een ambtenaar in de naoorlogse zuivering over zijn chef opmerkte: “maar wel meende hij dat de “strenge plichtsopvatting” die zijn chef in vredestijd tot een goed ambtenaar maakte, in oorlogstijd averechts kon uitpakken’ (p.187). Ook door de naoorlogse zuiveringscommissies werd dit als een zwaarwegend bezwaar opgevat bij het beoordelen van het gedrag van directeuren ten tijde van de bezetting (p. 407).
Verschrikkelijke gevolgen
Het citaat over de ‘strenge plichtsopvatting’ lijkt me ook een goede samenvatting van de belangrijkste boodschap die ik in dit boek lees. Namelijk dat alleen maar kritiekloos, amoreel, uitvoeren van wat opgedragen wordt – een kwestie van uitvoering – verschrikkelijke gevolgen kan hebben. Gevolgen die nergens zo dramatisch waren als in de rol van de Amsterdamse politie ten tijde van de bezetting.[4]. Gevolgen waar de ‘brave uitvoerders’, terecht, ook zelf verantwoordelijk voor kunnen worden gehouden. Iets wat overigens in de naoorlogse zuivering en Bijzondere Rechtspleging maar zeer beperkt is gebeurd. Ook dat laat Kemperman in deze waardevolle studie uitgebreid zien.
Voetnoten
[1] Om misverstanden te voorkomen: ik suggereer niet dat wat er momenteel gebeurt in de VS vergelijkbaar is met wat er in ons land tijdens de bezetting gebeurde. Wat ik wel beweer is dat we voor nu iets – en misschien wel veel – kunnen leren van hoe het toen misging.
[2] Jeroen Kemperman, Een kwestie van uitvoering. De gemeente Amsterdam onder de Duitse bezetting. Amsterdam: Querido, 2025. 527 pagina’s.
[3] Ook de Aanwijzingen voor het geval van een vijandelijken inval, die de regering in 1937 uitvaardigde, boden in de praktijk van de bezetting onvoldoende houvast (p. 263 ev.).
[4] Daarover verscheen eerder een imposante studie van Guus Meershoek, Dienaren van het gezag. De Amsterdamse politie tijdens de bezetting. (1999).

Geef een reactie