In mijn nieuwe boek Het onbegrepen bestuur richt ik me op het functioneren van de decentrale overheden: de gemeenten, provincies en waterschappen. De titel heeft betrekking op het onbegrip dat aanwezig is in zowel de samenleving als delen van de Haagse politiek.
Beeld: Shutterstock
Om met die samenleving te beginnen: weinig Nederlanders bekommeren zich echt om het decentraal bestuur. Dat is enerzijds vreemd. Hun vertrouwen in de decentrale besturen is immers groter dan hun vertrouwen in het landelijk bestuur. Daarnaast is het mogelijk om met verschillende vormen van burgerparticipatie bij te dragen aan dat bestuur. De groep die dat doet, is echter klein en grote groepen inwoners hebben geen idee wat de decentrale besturen doen. Ze zijn er ook niet echt in geïnteresseerd. Dat een kleine groep zich steeds agressiever opstelt richting de (decentrale) overheid is daarnaast ook behoorlijk verontrustend. De afgelopen jaren werd bijna maandelijks ergens een raadsvergadering verstoord.
Landelijke politiek
Minstens zo verontrustend is dat het onbegrip ook aanwezig is binnen een groep waarvan je wel kennis van en begrip voor de decentrale overheden mag verwachten, namelijk de landelijke politiek. Althans op cruciale momenten ontbreekt het daar aan steun. De fractievoorzitter van de grootste partij in de Tweede Kamer na de verkiezing van 2023 riep meerdere keren zijn achterban op om besluiten van gemeenten naast zich neer te leggen. Deze vorm van disrespect staat op eenzame hoogte. Toch bestaat er parallel aan dergelijke uitspraken een bredere politieke en bestuurlijke praktijk, waarbij decentrale belangen met voeten worden getreden. Dit kan gebeuren om electorale redenen of om uitruil van belangen in landelijke coalitieonderhandelingen te vergemakkelijken.
Er bestaat een bredere politieke en bestuurlijke praktijk, waarbij decentrale belangen met voeten worden getreden
Voorafgaand aan het overhevelen van landelijke taken naar gemeenten wordt een nog enigszins liefhebbend vocabulaire gebruikt om de daarmee gepaard gaande bezuinigingen goed te praten (‘gemeenten leveren maatwerk, dus hebben minder geld nodig’). Na de invoering wordt het gebruik van autonomie en beleidsvrijheid juist als een probleem gezien: het veroorzaakt (te grote) verschillen tussen besturen die aangepakt moeten worden. Besef of begrip dat die autonomie onlosmakelijk met de grondslag van ons binnenlands bestuur is verbonden, lijkt helaas beperkt aanwezig of speelt zelden een doorslaggevende rol.
De weinig respectvolle manier van omgaan toont zich ook in de financiële verhoudingen. Ondanks het toenemende aantal taken ontvangen decentrale overheden naar verhouding steeds minder geld en worden financiële afspraken geschonden in het voordeel van de landelijke overheid.
Ambtenarij
En hoe zit het dan met de ambtenarij? Voor een deel volgen ambtenaren de politieke wil. Als de politiek besluit tot maatregelen die nadelig zijn voor de decentrale besturen voeren zij die uit. Soms dragen ze zelfs proactief aan de slechte verstandhouding tussen de overheden bij. Achter de politieke onenigheid wordt echter ook opvallend goed samengewerkt. De verwevenheid op veel terreinen is immers groot en samenwerking is daarom ook noodzakelijk.
De laatste jaren neemt bijvoorbeeld de steun voor praktische randvoorwaarden voor ‘goed bestuur’ toe. Denk aan betere ondersteuning voor de algemeen besturen en opleidingen en trainingen voor verschillende decentrale bestuurders, bijvoorbeeld hoe om te gaan met agressie en ondermijning. En voor wat betreft de eerdergenoemde financiële omgang waren het in de kabinetsformatie van 2024 nota bene de hoogste ambtenaren van de landelijke ministeries die de landelijke politici over de beroerde omgang terecht moesten wijzen.
Meer doen
Hoe nu verder? Allereerst is in de samenleving meer kennis van het lokaal bestuur noodzakelijk. Dat is onder meer via het onderwijs realiseerbaar, met aanvullende mogelijkheden om de lokale democratie in de praktijk te ervaren, zoals het meelopen met lokale politici of stages. Ook lokale politici kunnen meer doen. Ze doen al veel, maar kunnen inwoners (nog) meer betrekken, uitdagen en stimuleren aan lokaal bestuur en beleid mee te doen, en er vervolgens alles aan doen om te voorkomen dat ze voortijdig gedesillusioneerd afhaken. Dat laatste kan onder meer door het verbeteren van participatietrajecten en de kiezer echte keuzes voorleggen bij verkiezingen, zodat inwoners zien dat (meedoen met) het decentraal bestuur echt iets kan veranderen.
Hoe nu verder? Allereerst is in de samenleving meer kennis van het lokaal bestuur noodzakelijk
Ook de interbestuurlijke verhoudingen moeten beter. Daar zijn verschillende mogelijkheden voor. Zo kan de invloed van de decentrale politiek op de landelijke politiek worden vergroot door de Eerste Kamer door alle decentrale volksvertegenwoordigers te laten kiezen. Een andere is om ‘dubbelmandaten’ vaker toe te staan of te stimuleren, al vergt dat ook een kritische reflectie op de nadelen hieraan. Met dubbelmandaten worden politici bedoeld die tegelijkertijd zowel een ambt in de decentrale als landelijke politiek uitoefenen. Veel omringende landen staan dat toe en het is verstandig eens goed te kijken naar zowel de voordelen als nadelen daarvan.
Goed zicht
De meeste winst is echter te behalen in de houding en het gedrag van decentrale en landelijke politici ten opzichte van elkaar. Decentrale politici zouden hun numerieke overwicht beter te gelde moeten maken, met name binnen de politieke partijen waar de landelijke partijtop vaak de toon zet. Landelijke politici zouden andersom beter naar hun decentrale collega’s moeten luisteren. Als zij hun mond opendoen over zaken als jeugdzorg, woningnood, klimaat, bureaucratie, lokale voorzieningen, is dat omdat zij goed zicht hebben op de lokale noden en wensen.
Ook bij ambtenaren zou het stimuleren van meer kennis over de andere overheden nuttig zijn. Oud-staatssecretaris Christophe van der Maat pleitte in een vorige professionele carrière eens voor de ‘zelfstandig publieke professional’, de zpp’er: een ambtenaar die zich voor een deel van zijn tijd bij een andere overheid laat detacheren, met als doel dat niet alleen de ambtenaar, maar ook de overheid daar beter van wordt. Het zou meer begrip voor het werk van de verschillende overheden kunnen opleveren. Eigenlijk geldt voor ambtenaren op die manier hetzelfde als voor alle inwoners en kiezers: laat ze zoveel mogelijk kennis opdoen en bijdragen aan het werk van de decentrale overheden. Uiteindelijk zal dat ook het begrip ervoor ten goede komen.
Het onbegrepen bestuur; Het functioneren van gemeenten, provincies en waterschappen is in januari 2026 verschenen. Dit artikel is een bewerking en uitbreiding van een opinie die enkele weken geleden in het Algemeen Dagblad is verschenen.

Oud-bestuurder. zegt
De teneur van het artikel is goed verwoord in bijgevoegd stukje tekst:
“ De meeste winst is echter te behalen in de houding en het gedrag van decentrale en landelijke politici ten opzichte van elkaar. Decentrale politici zouden hun numerieke overwicht beter te gelde moeten maken, met name binnen de politieke partijen waar de landelijke partijtop vaak de toon zet. Landelijke politici zouden andersom beter naar hun decentrale collega’s moeten luisteren. Als zij hun mond opendoen over zaken als jeugdzorg, woningnood, klimaat, bureaucratie, lokale voorzieningen, is dat omdat zij goed zicht hebben op de lokale noden en wensen.”