Met De oorlog van morgen willen Martijn Kitzen en Tim Sweijs duidelijk maken hoe sterk het karakter van oorlog is veranderd. Hun boek biedt een toegankelijk overzicht van nieuwe vormen van oorlogsvoering, maar roept ook de vraag op of de nadruk op militaire paraatheid niet ten koste gaat van aandacht voor diplomatie en vrede.
Beeld: Pixabay
Oorlog is terug van weg geweest. Ook in Europa. Na de val van de Berlijnse Muur en de ineenstorting van de Sovjet-Unie bestond geruime tijd het optimistische idee dat het – in ieder geval in Europa – tot in lengte van dagen vrede zou blijven. En dus besloten veel, zo niet alle, West-Europese landen hun defensie-inspanningen drastisch te beperken. Een leger had je alleen nog maar nodig – was het idee – voor beperkte vredesmissies in conflictgebieden. Een enkele keer binnen Europa; in voormalig Joegoslavië. Meestal veel verder weg, zoals in Irak en Afghanistan.
Van het optimisme na de val van de Muur (1989) is inmiddels, helaas, weinig over. Zelfs binnen Europa is de oorlog terug; amper 2000 kilometer van ons vandaan. Een oorlog die inmiddels al vier jaar woedt en waarvan het einde nog lang niet in zicht is.
Gigantisch drama
De oorlog in Oekraïne is natuurlijk in de allereerste plaats een gigantisch drama in termen van menselijk leed en materiële schade. Maar het is ook een kostbare les dat oorlog anno 2026 – voor een deel – een heel ander type oorlog is dan oorlog ten tijde van de Koude Oorlog, die we achter ons hebben gelaten. Hoewel de agressor ook nu Rusland is – toen als dreiging en nu ook feitelijk – houden de overeenkomsten tussen toen en nu daar wel mee op. Oorlog anno 2026 is een volstrekt ander soort oorlog geworden.
Over hoe anders oorlog anno 2026 is, gaat De oorlog van morgen van Martijn Kitzen en Tim Sweijs[1]. De oorlog van morgen is overigens al een tijd geleden begonnen. Bijvoorbeeld in 2014 toen anonieme ‘groene mannetjes’ bijna ongemerkt de Krim veroverden (p. 14). In de jaren daarna is de hybride oorlog – een lastige term (zie hoofdstuk 6) – tussen Rusland en de NAVO in volle hevigheid losgebarsten: trollenfabrieken en fake-news, hackers, pogingen om in het Westen verkiezingen te beïnvloeden, (gif)moorden, brandstichting, sabotage, schendingen van het luchtruim etc. Uiteindelijk culmineerde dit alles, voorlopig, in de Russische inval in Oekraïne in februari 2022.
Futuristen vs, traditionalisten
In de krijgswetenschap woedt een voortdurend debat tussen futuristen, die benadrukken hoe anders moderne oorlogen zijn, en traditionalisten, die vooral continuïteit tussen toen en nu zien (p. 152/153). De oorlog in de Oekraïne leert dat beiden gelijk hebben. De grootschalige inzet van drones bijvoorbeeld leidt aanvallend zowel als verdedigend tot een heel ander type oorlog. Oekraïne streefde in 2025 naar de productie van 4.5 miljoen drones! (p. 199).
Tegelijkertijd doet de min of meer bevroren frontlinie in de Donbas – inclusief loopgraven – sterk aan het strijdtoneel uit WO I denken. Maar dat geldt dan weer niet voor de enorme afhankelijkheid van beide strijdende partijen van inlichtingen en communicatie via satellieten. Vooral het digitale domein zal een steeds belangrijker strijdperk worden (p. 160/1). Iets soortgelijks geldt voor de ruimte.
Zorgen
Om beter te kunnen volgen hoe snel de wereld van oorlog en vrede momenteel verandert is dit zeker een nuttig boek. Niet onbegrijpelijk, legt het de nadruk vooral op oorlog, oorlogsvoering en wat daarin verandert. Oorlogsvoering is zo divers geworden dat de grens tussen oorlog en vrede lang niet altijd duidelijk te trekken is; de grijze zone is wel erg breed geworden (o.a. p. 107/8). Reguliere krijgsmachten hebben het ook moeilijk – bleek in Irak en Afghanistan en recenter in Gaza en Iran – als er geen scherpe grens te trekken valt tussen strijders en ‘onschuldige burgers’ (p. 61 en 64 ev.).
Oorlogsvoering is zo divers geworden dat de grens tussen oorlog en vrede lang niet altijd duidelijk te trekken is
Wat me toch zorgen baart – en bepaald niet alleen in dit boek – is de vanzelfsprekendheid waarmee de voorbereiding op allerlei typen oorlogen als de oplossing voor grote en kleine conflicten wordt gezien. Natuurlijk zijn we in de dertig jaar na 1989 best wel naïef geweest. Oorlog werd, zeker in Europa, zo onwaarschijnlijk geacht ‘dat de krijgsmacht volledig werd uitgekleed’ (p. 184). Maar inmiddels zijn de defensie-uitgaven de afgelopen tien jaar met bijna 40 prcent gestegen tot mondiaal 2442 miljard dollar (p. 118). In NAVO verband komt er, op basis van de 3.5/5 procent-norm, nog een enorme stijging aan; 250 miljard op de korte termijn tot 800 miljard op de langere termijn (p. 193/4). De balans lijkt momenteel om te slaan van naïef naar onkritisch bewapenen. De noodzaak om vrede ook met andere middelen te realiseren en te borgen, blijft sterk onderbelicht.
Harde waarheid
Si vis pacem para bellum, luidt het gezegde. Vrede door je op oorlog voor te bereiden. Maar de ervaring leert in twee opzichten anders. Allereerst dreigen stijgende defensiebudgetten op zichzelf al tot escalatie te leiden omdat ‘de tegenstander’ niet achter wil blijven. En vervolgens blijkt in de harde praktijk telkens weer dat oorlogen uiteindelijk niet op het slagveld maar aan de onderhandelingstafel worden beslecht. Oorlog – hoe geavanceerd ook – levert zelden een eenduidige winnaar op en dus zelden stabiele vrede.
Die harde waarheid blijft in dit boek toch wat onderbelicht. Overigens zeker niet alleen in dit boek. In het maatschappelijke en politieke debat sinds de Russische agressie in 2014 en 2022 in de Oekraïne lijkt dit soort nuance wel helemaal zoek.
Sterke en brede herbewapening
Hoe cynisch het ook moge klinken het Oekraïne-conflict is door krijgsmachten, defensieministers en niet in de laatste plaats de defensie-industrie gretig gebruikt als policy window: een kans om inhoudelijk en financieel weer hoog op de politiek-bestuurlijke agenda(s) te komen. Als je naar de cijfers kijkt met veel succes. Ook de auteurs van dit boek, krijgswetenschappers, ontkomen niet aan een krachtig pleidooi voor sterke en brede herbewapening.
Voor een deel is dat ook terecht. Het blijft echter moeilijk om in te schatten hoe groot de Russische dreiging uiteindelijk echt is. Zeker nu blijkt dat een veel kleiner land, als Oekraïne, al vier jaar effectief weerstand blijkt te kunnen bieden; met veel steun en ten koste van grote offers; dat wel. Maar zelfs als er op de acute Russische dreiging voor West-Europa wel wat af te dingen valt, blijft er volop reden tot zorg.
Bewust
De meest zorgelijke boodschap uit dit boek lijkt me dat de grens tussen oorlog en vrede – de grijze zone – zo diffuus is geworden. Van de relatieve overzichtelijkheid ten tijde van de Koude Oorlog en kort daarna ten tijde van de ontspanning is weinig overgebleven. Ook de steeds belangrijker rol van ‘niet-statelijke actoren’ in gewapende conflicten (p. 165-167) – zg. irreguliere oorlogvoering – maakt ‘het slagveld’ onoverzichtelijker en complexer.
Een boek als dit is zeker nuttig om ons daar meer bewust van te maken. Dat is ook de doelstelling die de auteurs zich gesteld hebben (p. 211). Voor het genuanceerde(re) debat zou het wel goed zijn als anderen daar een even toegankelijk en leesbaar boek aan toevoegen over de rol van diplomatie en onderhandelingen bij het beteugelen van (gewapende) conflicten anno 2026.
Voetnoot
[1] Martijn Kitzen en Tim Sweijs, De oorlog van morgen. Uitgeverij Balans: 2025. 269 pagina’s.

Geef een reactie