De uitholling van wat eens onze verzorgingsstaat genoemd werd, gaat in rap tempo. Werklozen, langdurig zieken en andere mensen met beperkingen hebben te vrezen voor een nieuwe golf aan bezuinigingen. Wat blijft er nog over van de inkomensbescherming en hoe verhoudt deze ontwikkeling zich nog tot het grondwettelijk recht op bestaanszekerheid?
Beeld: Pexels
Na de Tweede Wereldoorlog is in ons land geleidelijk gewerkt aan de ontwikkeling van een breed en hoogwaardig sociaal zekerheidsstelsel. Zo werd de armenzorg, die daarvoor vrijwel geheel leunde op particuliere initiatieven, in 1965 vervangen door de Algemene Bijstandswet. Daarmee werd voor het eerst erkend dat hulp bij armoede de primaire verantwoordelijkheid van de overheid is. Twee jaar later volgde de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Deze ontwikkeling culmineerde in de grondwetswijziging van 1983 waarbij in artikel 20 werd vastgelegd dat de bestaanszekerheid van de bevolking en de spreiding van de welvaart ‘voorwerp van zorg der overheid’ zijn. Uit de wetshistorie van de totstandkoming van artikel 20 van de Grondwet blijkt een prikkel om ook in de toekomst te blijven streven naar verbetering van de sociale zekerheid.
Welzijn naar tweede plan
Inmiddels zijn we ruim vier decennia verder. Tijdens die decennia hebben de regelingen voor werkloosheid, arbeidsongeschiktheid en bijstand, in tegenstelling tot de verwachting, grote veranderingen doorgemaakt. Over de hele linie hielden deze een aanzienlijke vermindering van de sociale bescherming in. Dat was inherent aan het neoliberale denken, dat in begin van de tachtiger jaren zijn intrede deed. De opvatting, dat de staat een taak heeft in de verzorging van zijn burgers, veranderde in de idee dat de overheid slechts een faciliterende rol heeft.
Zo veranderde de verzorgingsstaat in een participatiesamenleving, waarin de economische nuttigheid van de burger centraal staat
Zo veranderde de verzorgingsstaat in een participatiesamenleving, waarin de economische nuttigheid van de burger centraal staat. Het welzijn van de mens verschoof daarmee naar het tweede plan en van een economie, die toch in de kern dienstbaar moet zijn aan de mens, bleef weinig meer over. Mensen die door ziekte of andere gebreken gehandicapt zijn of zij die ontslagen zijn, werden voortaan slechts beschouwd als pechvolgels, die zo snel mogelijk moeten gaan participeren. Hoe minder financieel comfort voor deze groep, des te gemotiveerder zouden zij zijn om weer aan het werk te gaan, zo luidde het neoliberale credo.
Afbraak doorgezet
Het heeft er tenminste alle schijn van dat het Kabinet-Jetten de eerder ingezette lijn van afbraak van de sociale zekerheid nog verder doorzet. Het regeerakkoord is daarin glashelder. De concrete plannen over halvering van de WW- duur, de afschaffing van de IVA, de verkorting van de uitkeringstermijn van de loongerelateerde uitkering in de WGA en vooral ook de verlaging van de maximale uitkering in de WW en WIA, met maar liefst 20 procent, spreken boekdelen.
Wie bijvoorbeeld straks werkloos wordt moet zich haasten een nieuwe baan te vinden. De maximum uitkeringsduur wordt volgens plan teruggebracht van 24 naar 12 maanden en de opbouw van die rechten vertraagt van een hele naar een halve maand per gewerkt jaar. Dus voor een WW-recht van 12 maanden moet iemand straks tenminste 24 jaar gewerkt hebben. Jongeren vinden in twee derde van de gevallen binnen 6 maanden weer een nieuwe baan, dus zij zullen niet veel last hebben van de beperkingen. Maar de 18 procent van de werkzoekenden, die volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek na 12 maanden nog geen nieuwe baan hebben, zullen ernstig gedupeerd worden. In de meeste gevallen betreft dit ouderen, die wegens gebrek aan de juiste diploma’s en/of bestaande vooroordelen ten opzichte van oudere werknemers, minder makkelijk een andere baan vinden.
IVA
Nog meer impact hebben de voornemens van het kabinet op de groep langdurig arbeidsongeschikten. In de plannen wordt de IVA, die geldt voor duurzaam volledig arbeidsongeschikten, afgeschaft en wordt deze groep identiek behandeld als de groep gedeeltelijk arbeidsongeschikten. Feitelijk gaat hun uitkering daarmee omlaag van nu 75 naar 70 procent. De Wet Gedeeltelijk Arbeidsongeschikten (WGA) onderscheidt een loongerelateerde uitkering en een vervolguitkering.
De duur van de loongerelateerde uitkering wordt volgens de plannen, net zoals voor de WW geldt, ingekort, waardoor mensen, om eerder voor een vervolguitkering in aanmerking te komen, werk moeten vinden waarmee zij tenminste de helft van de voor hen berekende verdiencapaciteit kunnen verdienen. Regelmatig verschijnen berichten in de media over mensen, die ondanks alle mogelijke inspanningen, niet aan de bak komen en dan in inkomen terugvallen naar een niveau van 28 procent tot maximaal 50,75 procent van het minimumloon.
Arbeidskorting
Exemplarisch is het voorbeeld dat Pieter Omtzigt in een publicatie van het wetenschappelijk bureau van NSC geeft over de gevolgen van de verlaging van de maximum uitkering.[1] Een alleenverdiener met een inkomen van meer dan 80.000 euro ontvangt nu, bij volledige arbeidsongeschiktheid, een uitkering van ongeveer 60.000 euro en gaat straks volgens de plannen naar ongeveer 44.500 euro per jaar. Maar dat is nog niet alles. Het netto-inkomen van iemand die werkt is veel hoger dan van diezelfde persoon met een uitkering. Dat komt door de zogenaamde arbeidskorting. Dat is een korting op de te betalen inkomstenbelasting en die is alleen van toepassing als het inkomen met arbeid verdiend is. Dat scheelt, in vergelijking met eenzelfde inkomen uit arbeid, 5.685 euro per jaar. Betrokkene komt wel in aanmerking voor toeslagen, maar die bedragen zijn ruim 400 euro lager dan voor iemand in de bijstand. Omtzigt rekent voor dat de betrokkene slechts 100 euro meer overhoudt dan een echtpaar in de bijstand. Maar doordat een bijstandsgerechtigde in aanmerking kan komen voor kwijtschelding gemeentelijke lasten en zogenaamde minimaregelingen, kan het zijn dat een zeer goed verdienende alleenverdiener, die volledig gehandicapt raakt, per saldo minder overhoudt dan een stel in bijstand.
Datzelfde geldt voor WW-gerechtigden. Ook daarvan gaat de maximale uitkering, behalve in de eerste twee maanden, naar ongeveer 44.500 euro op jaarbasis. Rekening houdend met het vervallen van de arbeidskorting en de lagere toeslagen, blijft er slechts een bestaansminimum over.
Stil
Daarmee rijst ogenblikkelijk de vraag welke functie de werknemersverzekeringen nog hebben. Voor de omvang van het besteedbaar inkomen maakt het nagenoeg niet uit of het geld van de bijstand of van het UWV komt. Tenminste, als we de nare regels van de bijstand, waarbij ook gekeken wordt naar de vermogenspositie, het inkomen van de partner, etcetera, buiten beschouwing laten.
Hoelang houden werkgevers zich nog stil?
Van inkomensbescherming, die met de sociale verzekeringswetten beoogd werd, is bij het doorgaan van de plannen feitelijk geen sprake meer. Desondanks dragen werkgevers nog altijd tussen de 20 en 25 procent van de loonkosten aan de overheid af voor deze voorzieningen. Hoelang houden zij zich nog stil? En waarom zouden de vakbonden deze verzekeringsgelden niet in de vorm van een eenmalige loonsverhoging opeisen?
Grondwet
Een nog fundamentelere vraag is hoe de kabinetsvoorstellen zich nog verhouden tot de Grondwet. Artikel 20 van de Grondwet verplicht de overheid de ‘bestaanszekerheid’ te garanderen en ‘spreiding van de welvaart’ te bevorderen. Maar wat betekent ‘bestaanszekerheid garanderen’ nog als iemand een ernstig ongeluk overkomt en zijn hypotheek niet meer kan opbrengen en zijn partner en kinderen meegesleurd ziet worden in een diep financieel ravijn? Wat ervaart deze persoon nog van de welvaartsspreiding?
Als het de overheid werkelijk menens is om de bestaanszekerheid tot een minimumgarantie te verlagen, zal de Grondwet aangepast moeten worden. Dan wordt tenminste grondwettelijk vastgelegd dat wij het beschavingsideaal vaarwel hebben gezegd en ons enkel nog richten op de participerende burger die nog slechts betekenis heeft in zoverre die bijdraagt aan de economie.
[1] Omtzigt et al. Publicatie van het Wetenschappelijk Bureau NSC d.d. 17 maart 2026.

Ik denk dat een belangrijke oorzaak gevonden kan worden in het overheidsbeleid van de afgelopen decennia: Het neoliberalisme. Professor Henk de Vos omschrijft dat aldus in zijn blog van 8 december 2023 op zijn blosspot “Toegepaste sociale wetenschap”:
“Hoewel dat natuurlijk nooit met zoveel woorden gezegd is, was het de opzet van dat neoliberale beleid om de bestaansonzekerheid onder de bevolking te laten toenemen. Dat zou immers nodig zijn om mensen, die dat van nature niet willen, zich te laten inspannen. Daar zijn “prikkels” voor nodig en dan in het bijzonder financiële prikkels. En die zijn er natuurlijk meer, en ze werken beter, als er ook de reële dreiging bestaat om tot armoede te vervallen. En ze werken beter als er meer rijkdom valt te behalen, dus als de inkomensongelijkheid groter is.
En om die dreiging voldoende tot stand te brengen, moesten de sociale zekerheid en de bescherming op de arbeidsmarkt worden teruggedrongen. Mensen moest geleerd worden om minder van de overheid te verwachten. Ze moesten zelfredzamer worden. Minder het iedereen-telt-mee van de “gemeenschap georganiseerd in de staat” en meer van het ieder-voor-zich van het statuscompetitiepatroon.
Kregen de opeenvolgende regeringen het voor elkaar om die bestaansonzekerheid te vergroten?
Jazeker. “
Dus de overheid heeft met opzet de sociale zekerheid en de bescherming op de arbeidsmarkt teruggedrongen. Dat is inhumaan!
Dat het kabinet-Jetten beoogt dit afbraak beleid voort te zetten stemt tot nadenken:
Nu wordt pijnlijk duidelijk waarom de overheid geen basisinkomen wil invoeren:
Een basisinkomen biedt burgers namelijk wèl bestaanszekerheid en dat blijkt de overheid niet te willen. Kijk bijvoorbeeld ook eens naar het nieuwe pensioenstelsel (de Wet Toekomst Pensioenen) dat het predicaat ‘casinopensioen’ meekreeg.
Burgers moeten om hun recht te halen via stichtingen als ‘pensioenbehoud’ en ‘pensioenherstel’ de strijd aanbinden tegen een overheid die zich simpelweg kan laten vertegenwoordigen door de landsadvocaat in een proces waarin de overheid ook nog eens de tijd aan z’n kant heeft: Hoe langer de uitspraak van de rechter op zich laat wachten hoe meer burgers de uitspraak niet meer te horen zullen krijgen. Zij zijn immers sterfelijk dus de overheid heeft er baat bij de rechtszaak op de lange baan te schuiven.
Veel gedupeerden van het toeslagenschandaal wachten nog steeds op genoegdoening. Voor gedupeerden van de pensioenaffaire dreigt eenzelfde ontwikkeling.
Als de overheid geleerd heeft van het verleden en bereid is deze affaire netjes af te wikkelen kan zij dit voorkomen door bij wet te bepalen dat het Rijk de door haar wanbeleid ontstane schulden van de burgers zal overnemen door hen hiertoe een renteloos voorschot te verstrekken.
De gedupeerden kunnen dan nog tot hun overlijden, of tot de uitspraak van de rechter – als die eerder komt – genieten van het leven. Zijn ze tijdens de uitspraak nog in leven dan zullen ze natuurlijk het verstrekte voorschot moeten terugbetalen; zo niet dan treden hun erfgenamen in hun rechten en zullen die het renteloos voorschot met de overheid moeten verrekenen, eventueel onder aftrek van een toegekende compensatie.