Een theorie over morele gevoelens


We kunnen de mens nog zo zelfzuchtig vinden, zijn aard kent bepaalde principes waardoor hij belang stelt in het lot van anderen. Dat schrijft Adam Smith in De theorie over morele gevoelens. Het werk van Smith is 260 jaar na dato nog verrassend actueel en kan ons de nodige lessen leren voor de huidige coronacrisis, stelt Dave van Ooijen.

De Schotse moraalfilosoof en grondlegger van de economische wetenschappen, Adam Smith (1723-1790), beschouwde zijn De theorie over morele gevoelens als zijn belangrijkste werk. Het verscheen voor het eerst in 1759, maar hij bleef er tot zijn dood aan werken. In het onlangs in het Nederlands vertaalde boek beschrijft Smith hoe de mens zijn morele zelfstandigheid, zijn morele autonomie, ontwikkelt. Het werk wordt door Albert Kerkhof, die in 1992 promoveerde op een studie naar Smith’s theorie, als een van de interessantste en meest subtiele theorieën over het ontstaan en het functioneren van de moraal beschouwd.

‘Om tot morele oordelen te komen is de rol van de verbeelding cruciaal’

Smith’s verklaring van de moraal is volgens Kerkhof in hoge mate consistent. Smith geeft een even vernuftige als eenvoudige verklaring voor het ontstaan en de werking van de moraal. Tot op dag van vandaag heeft het werk nog niks aan actualiteit ingeboet. Dat komt omdat Smith een sterke waarnemer is en bij het schrijven van het werk zich op de echte wereld heeft gericht. Smith was van mening dat economie een morele wetenschap is. Hij was voorstander van sociale voorzieningen waar de markt geen goede oplossing voor heeft. In ‘De theorie van morele gevoelens’ laat hij zelfs ruimte voor een publieke rol voor herverdeling. Een verrassend actueel boek, zeker nu door corona moreel verantwoord handelen aan belang toeneemt.

Sympathie
Volgens Smith kunnen we de mens nog zo zelfzuchtig beschouwen, zijn aard kent ook bepaalde principes waardoor hij belang stelt in het lot van anderen. Zo’n principe is volgens hem deernis of medelijden, de emotie die wij voelen wanneer we de ellende van anderen met eigen ogen zien of wanneer we ons die in geuren en kleuren voorstellen. Zo ondervinden we dikwijls verdriet bij het verdriet van anderen, en voelen wij ons aan de andere kant prettig als we het geluk van anderen zien. Dit gevoel is evenwel niet beperkt tot de deugdzame en humaan ingestelde mensen. Zelfs de grootste schurk of de meest geharde schender van de wetten van de maatschappij ontbeert dit gevoel niet volledig. Met deze zinnen begint Adam Smith het eerste hoofdstuk van zijn verhandeling over het ontstaan en functioneren van morele gevoelens. Deernis en medelijden zijn woorden die worden gebruikt ter aanduiding van ons medegevoel bij het verdriet van anderen. Het woord sympathie wordt door Smith gebruikt om ons medegevoel aan te duiden bij welke emotie dan ook. Maar hoe werkt dat? Aangezien we geen onmiddellijke ervaring hebben van wat andere mensen voelen, kunnen we ons alleen een beeld vormen van de manier waarop iets inwerkt door ons voor te stellen wat we zelf zouden voelen in een soortgelijke situatie. Het is alleen onze verbeelding die ons in staat stelt een voorstelling te maken van de gewaarwordingen van anderen. Door middel van de verbeelding verplaatsen we ons in zijn situatie en stellen we ons voor dat we hetzelfde ondergaan.

Onpartijdige toeschouwer
Om tot morele oordelen te komen is de rol van de verbeelding dus cruciaal. Verbeelding stelt de mens in staat om zich in te leven in de gevoelens van anderen, boven zichzelf uit te stijgen en op die manier tot morele oordelen te komen. Smith onderzoekt verschillende emoties of gemoedsaandoeningen. Naast deernis, medelijden, sympathie, woede en verdriet gaat hij in op emoties als vreugde, jaloezie, geluk, liefde, afgunst, bewondering, droefenis, haat, wrok, verwondering en toewijding. Interessant is dat Smith niet alleen tal van voorbeelden geeft van de emoties die hij in de samenleving waarneemt, maar deze ook in groepen indeelt en probeert te ontdekken waarom mensen sympathisch zijn.

‘Volgens Smith komt het eigenbelang niet overeen met egoïsme, maar met het vanuit de eigen positie rekening houden met de ander’

Dat is misschien wel zijn meest centrale begrip. In dat verband maakt hij onderscheid tussen gemoedsaandoeningen die hun oorsprong hebben in het lichaam, en gemoedsaandoeningen die hun oorsprong hebben in een specifieke trek of gewoonte van verbeelding. Daarnaast zijn er volgens hem verschillen tussen sociale en asociale gemoedsaandoeningen en zelfzuchtige gemoedsaandoeningen die een soort middenpositie innemen. In de markt van vraag en aanbod van sympathie, is het uiteindelijk de mens die volgens Smith als ‘onpartijdige toeschouwer’ zorgt voor een maatschappelijk evenwicht over wat moreel gepast is. Maar ook de keerzijde van de vraag naar sympathie, de angst voor de mening van de anderen, is volgens Smith een belangrijk onderdeel van het morele mechanisme.

Normatieve ethiek
Volgens Jabik Veenbaas, die een inleiding bij de vertaling schreef, bevat het boek een ‘ingenieus en plausibel ethisch systeem dat in veel opzichten bruikbaar blijft tot op de dag van vandaag’. Volgens Veenbaas is Smith’s verklaring voor het ontstaan van de menselijke moraal ‘zeer overtuigend’. De mens baseert zijn geweten op basis van de morele impuls die hij uit zijn omgeving opneemt. Is het werk aantrekkelijk als het gaat om het ontstaan en het functioneren van de moraal, dat geldt volgens Albert Kerkhof niet voor de normatief-ethische elementen in het werk. Wordt het boek beoordeeld als een prestatie op het gebied van de normatieve ethiek, dan is het hopeloos mislukt, aldus Kerkhof. Dit wordt vooral duidelijk in het laatste deel van het werk, waaraan Smith tot aan zijn dood heeft zitten schaven. In het laatste deel laat hij zijn boek ook als verdediging van de moraal doorgaan en probeert hij deze te verdedigen tegen de moraal ondermijnende tendensen in het werk van de filosoof Bernard Mandeville (1670-1733), die moraal reduceerde tot de mening, het oordeel van anderen, de publieke opinie. Volgens de theorie van Mandeville zijn mensen egoïstisch en laten zij zich leiden door eigenbelang. Dat is geen keuze, maar een natuurlijk gegeven, waarin de mens niet verschilt van andere levende schepselen, aldus Mandeville. Smith ziet dat duidelijk anders. Volgens Smith komt het eigenbelang niet overeen met egoïsme, maar met het vanuit de eigen positie rekening houden met de ander. Want, hoe je het ook wendt of keert, de mens is en blijft toch vooral een sociaal wezen, aldus Smith. ‘De theorie van morele gevoelens’ kan dat wel 260 jaar geleden geschreven zijn, het is nog steeds verrassend actueel als het gaat over hoe morele gevoelens tot stand komen.

*Adam Smith, ‘De theorie over morele gevoelens’, Boom Uitgeverij Amsterdam, 585 pagina’s, € 49,90

Vond je dit artikel interessant? Lees alle artikelen van: Dave van Ooijen
Deel dit artikel

Er zijn nog geen reacties op dit artikel

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

*