Hebben klagende renteniers het Paard van Troje binnengehaald?


De ruim zestigduizend bezwaarmakers tegen de belastingheffing over hun dikwijls negatieve rente-inkomsten konden tijdens de kerstdagen van verleden jaar hun vreugde niet op. De Hoge Raad had namelijk daags daarvoor een uitspraak gedaan, waarin de toepassing van de sinds 2017 geldende specifieke vorm van vermogensrendementsheffing, op grond van bepalingen in het Europees Verdrag va de Rechten van de Mens, afgewezen werd.

Sinds 2017 gaat de regelgeving uit van de fictie dat hoe hoger iemands vermogen is, hoe risicovoller belegd wordt. Wie afwijkt van de veronderstelde beleggingsmix, door het hele vermogen op een risicoloze spaarrekening zonder enige rentevergoeding te parkeren, heeft pech.

Nu de Hoge Raad verbiedt om bij de belastingheffing uit te gaan van een fictief rendement zal de belastingheffing in de toekomst gebaseerd worden op de werkelijke opbrengsten in het betreffende belastingjaar. Dat klinkt aanlokkelijk voor de bankspaarders, maar heeft een aanzienlijke impact voor diegenen die gewend zijn risicovoller te beleggen.

Bij de forfaitaire vermogensrendementsheffing (VHR) wordt immers slechts het vooraf (ex-ante) te verwachten rendement belast. Daarbij kan de fiscus geen rekening houden met andere vermogensopbrengsten dan rente, dividend, huur en pacht. Met een belastingheffing over de werkelijk genoten vermogensinkomsten in het voorgaande belastingjaar (ex-post) kunnen ook koerswinsten als inkomstenbron meegerekend worden.

‘Nergens ter wereld bestaat zo’n forfaitaire heffing als hier’

En dat nu is precies wat het kabinet met ingang van 2025 voornemens is te gaan doen. Volgens de Contourennota van staatssecretaris Van Rij, die op 15 april jongstleden verscheen, blijkt dat de fictieve VHR zal plaatsmaken voor een vermogensaanwasbelasting. Zoals de nota expliciet vermeldt, zal vanaf 2025 niet alleen belasting geheven worden over de reguliere inkomsten zoals rente, dividend, huur en pacht, maar óók over de ongerealiseerde waardeontwikkeling van vermogensbestanddelen zoals koerswinst- of verlies op aandelen, cryptobeleggingen en waardestijging of daling van onroerend goed in het betreffende belastingjaar.

De VRH is in 2001 zonder noemenswaardige politieke discussie in het toenmalige regeerakkoord verankerd. De opbrengst van privé-vermogensbestanddelen (rente, dividend, etc.) zouden bepaald worden op een forfaitair percentage van 4 procent van de waarde van deze vermogensbestanddelen, waarover vervolgens 30 procent inkomstenbelasting betaald moest worden. De VHR kwam in de plaats van de progressieve inkomstenbelastingheffing op privé-vermogensinkomsten, alsook de toen bestaande vermogensbelasting van 0,7 procent.

De aanpassing die de belastingwetgever in 2017 deed is nu door de Hoge Raad onderuitgehaald. Maar volgens veel vooraanstaande economen was de VHR al van meet af aan een fiscaal curiosum. Nergens ter wereld bestaat zo’n forfaitaire heffing. Andere landen, waaronder alle lidstaten van de Europese Unie en de Verenigde Staten, heffen een vermogenswinst-of vermogensaanwasbelasting, naast of in samenhang met de inkomstenbelasting op periodieke vermogensinkomsten.

‘Toekomstige progressieve kabinetten kunnen zonder principiële herziening van het belastingstelsel de tarieven eenvoudig verhogen’

Het belangrijkste algemene bezwaar tegen de VHR is dat hij in strijd is met het draagkrachtbeginsel, omdat de beleggingswinsten en verliezen, die vaak betrekking hebben op grote vermogens, onbelast blijven en de overheid dus niet deelt in het geluk of ongeluk van beleggers.

Met de introductie van de vermogensaanwasbelasting maakt het kabinet een reuze-ommezwaai in het denken over het belasten van vermogens. Welk percentage in aanvang gekozen wordt is nu nog niet bekend, maar gelet op het grote begrotingstekort, de extra lasten in verband met de coronacrisis, de uitgaven vanwege noodzakelijke milieumaatregelen en de noodzakelijke extra defensie-uitgaven betekent de introductie van een vermogensaanwasbelasting een welkome aanvulling op de bestaande bronnen van belastingheffing.  Ook biedt het perspectief op vermindering van de vermogensongelijkheid, doordat verrijking door waardeaangroei afgeroomd wordt.

We moeten ons er overigens niet te veel illusies over maken dat tijdens kabinetten onder aanvoering van de VVD de opbrengst uit de vermogensaanwasbelasting substantieel hoger zou zijn dan onder de oude vermogensrendementsheffing. Maar toekomstige progressieve kabinetten kunnen zonder principiële herziening van het belastingstelsel de tarieven eenvoudig verhogen. Dan zou de euforie van de oorspronkelijke bezwaarmakers achteraf bezien wel eens prematuur blijken te zijn geweest.

Vond je dit artikel interessant? Lees alle artikelen van: Jan Soons
Deel dit artikel

Er zijn nog geen reacties op dit artikel

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

*