Van taaie transities naar soepele innovatieadoptie


Nederland kampt momenteel met grote maatschappelijke uitdagingen. Tegelijkertijd zijn er onvoldoende mensen om de opgaven waar we voor staan op te pakken. Succesvolle innovatie om met minder mensen meer te kunnen doen blijft  achter bij de verwachting. Hoe kunnen we als BV Nederland deze patstelling doorbreken? Dat vraagt om het versnellen van impactvolle innovatie stellen Goedele Geuskens, Anneke Goudswaard en Lilian Woudstra.

Tot 2030 moeten er 900.000 woningen worden bijgebouwd. Zonder maatregelen stijgen de zorguitgaven door vergrijzing van 11% van het bruto binnenlands product naar 18% in 2060. Ruim 7 miljoen huizen moeten duurzaam worden verwarmd en van stroom voorzien. Werk dat niet op tijd verzet kan worden zonder innovatie om de arbeidsproductiviteit te verhogen. Innoveren is tot nu toe echter een taai en tijdrovend proces dat lang niet altijd de gewenste impact heeft. Dat moet beter willen we de opgaven die voor ons liggen succesvol aangaan. Dit artikel gaat daarom in op een nieuwe vorm van innoveren om impactvolle innovatie te versnellen én hoe we deze beter zouden kunnen benutten. Daarbij komt nadrukkelijk ook de rol van de overheid aan de orde.

Anders vormgeven innovatieproces
In een ‘lineair’ innovatiemodel vormen ontdekkingen in wetenschap en techniek de motor van innovaties die worden gecommuniceerd naar de praktijk, die ze vervolgens toepast (Schon, 1983; Berkhout, 2000; West et al., 2019). Maar steeds vaker draait het bij innovatie om oplossingen voor wicked problems: problemen waarvoor geen optimale oplossing bestaat die alleen nog hoeft te worden toegepast. Wetenschappelijk onderzoek en praktische toepassing zijn niet zozeer lineair gerangschikt, maar vinden tegelijkertijd plaats in een proces van continue, snelle bijsturing (West et al., 2019).
Door doorlopend te monitoren en evalueren kan het proces voortdurend worden geoptimaliseerd en zo leiden tot gewenste maatschappelijke impact (Vernooij et al., 2023). Om dit te stimuleren wordt er steeds vaker met ‘innovatie-ecosystemen’ gewerkt waarin (tech-)bedrijven, onderzoek/onderwijs, en werkveld/burgers via cyclisch innoveren samenwerken aan oplossingen voor maatsch appelijke opgaven (zie kader 1).

Kader 1. De ecosystemen die centraal staan

Sharehouse
Sharehouse is een ecosysteem in de logistiek met als basis een fysiek living lab in het STC MBO-College in Rotterdam. Binnen Sharehouse vindt multidisciplinaire samenwerking, kennisoverdracht en innovatie plaats tussen logistieke (MKB-)bedrijven (managers, medewerkers), kennis- en onderwijsinstellingen (wetenschappers, docenten, studenten), overheid (beleidsmakers en -uitvoerders) en vertegenwoordigende partijen (bijv. brancheverenigingen). Zij doen gezamenlijk onderzoek naar de inzet van innovaties op het raakvlak van techniek en werk in warehouses (Van den Tooren, Steinhoff, Preenen, & Adiguzel-van Zoelen, 2022).

BouwAcademie Amsterdam (Sharebouw)
Sharebouw komt voort uit het Sharehouse-concept. Het is als het ware een Sharehouse 2.0, maar dan in de bouwsector. De basis vormt een toonaangevende leer-werk-innoveer omgeving op een bedrijventerrein in Diemen. Dit ondersteunt (aankomende) vakmensen bij het leren van de competenties van nu en de toekomst, en bedrijven bij innovatie en innovatieadoptie. In diverse multidisciplinaire samenwerkingsverbanden wordt ingezet op het ontwikkelen, toepassen en testen van (technologische) innovaties, en onderwijsvernieuwing (onder andere up- en reskilling). De focus ligt daarbij op de verduurzamingsopgave.

Op basis van meerjarige ervaringen uit twee van dit soort ecosystemen (Vernooij et al., 2023) wordt duidelijk dat betrokkenen (inclusief overheidspartijen) het echter lastig vinden om het lineaire denken van weleer los te laten. Dit uit zich in drie verschillende spanningsvelden die we hieronder beschrijven:
1) Denken in korte versus lange termijn

Wat als eerste opvalt is dat in de betrokken ecosystemen kortetermijndenken (vanuit een lineaire visie op innovatie) nog steeds overheerst. Betrokken bedrijven zijn voornamelijk op zoek naar quick-wins die ze direct kunnen toepassen in hun eigen praktijk. Maar ook de beleidsmatige context van de innovatie-ecosystemen – met versnipperde financieringsbronnen rond specifiek afgebakende thema’s – leent zich nog niet voor de dynamiek van cyclisch innoveren.
Zeker aan het begin van het proces is het belangrijk om met elkaar vooruit te kijken en open nieuwe ideeën die interessant kunnen zijn voor het ecosysteem als geheel te verkennen. Dit soort open innovatie zou meer gestimuleerd kunnen worden vanuit beleid. Voor het opbouwen en behoud van draagvlak blijft het echter essentieel ook voldoende aansprekende resultaten op de korte termijn te behalen. Het gaat er bij cyclisch innoveren juist om dat beide aspecten aandacht krijgen in beleid en praktijk.
2) Oog voor de eigen context versus die van de ander
Cyclisch innoveren vraagt om aandacht voor andere vormen van samenwerking en communicatie. Communicatie waarin er niet alleen oog is voor de positie en omstandigheden van de eigen ‘groep’ maar ook van die van anderen binnen het innovatiesysteem. Juist van het onbekende is veel te leren. Dit wordt echter lastiger naarmate deelnemers uit verschillende werelden (bijvoorbeeld universiteit versus bedrijfsleven) komen en er weinig tijd, ruimte of besef is om cultuurverschillen tussen deze werelden te overbruggen.
Hoewel het innovatiepotentieel van dit soort ontmoetingen groter is, is het mogelijke risico op het verspillen van tijd en aandacht zonder duidelijk resultaat ook groter. Bovendien ontmoedigt de huidige beleidsmatige context – met kortlopende financiering rond nauwgezet omschreven projectresultaten waar men op wordt afgerekend – het nemen van een dergelijk risico. Om cyclisch innoveren te stimuleren is het daarom belangrijk om niet alleen aandacht te hebben voor resultaten, maar ook voor het proces (met bijvoorbeeld een procesplan en procesindicatoren). Denk aan het inbouwen van voldoende momenten van reflectie, het stimuleren van een open dialoog over zowel resultaat als proces, of de inzet van ‘bemiddelaars’ (ook bekend onder de naam van system conveners (Wenger-Trayner & Wenger-Trayner, 2021) of ‘webbers’ (Roobeek, 2018)) die in staat zijn cultuurverschillen tussen verschillende betrokken partijen productief te benutten.
3) Vooraf vastgestelde doelen/middelen versus tijdens het proces opkomende doelen/middelen
Cyclisch innoveren vraagt om het snel schakelen bij kansen en belemmeringen die zich gaandeweg het innovatieproces voordoen. Aan de andere kant hebben partners behoefte aan houvast en structuur. Zonder houvast en structuur ontstaat er onrust omdat mensen bijvoorbeeld niet goed weten waar ze naartoe werken. Maar vanuit de beleidsmatige context kan er ook te veel houvast en structuur worden verlangd (bijvoorbeeld in de vorm van strikt vastgelegde doelen en activiteiten – resultaten op outputniveau – in uit te voeren projecten).
Dit maakt het lastig om te werken op basis van voortschrijdend inzicht doordat men gedwongen is vast te houden aan de vooraf afgesproken output. Voor het voorkomen van situaties waarin men penny wise, maar pound foolish is, zou vanuit beleid bijvoorbeeld meer gewerkt kunnen worden met het stapsgewijs formuleren van beoogde tussentijdse uitkomsten (zonder dat er al direct een helder einddoel van het proces is) of met doelen met een meer open karakter (op outcome- of impactniveau). Daarvoor is dan uiteraard ook nodig dat hier ruimte voor wordt geboden vanuit betrokken financiers.

Nieuwe balans
Cyclisch innoveren kan een belangrijke bijdragen leveren aan het versnellen van impactvolle innovatie. Willen we als BV Nederland echter dat deze vorm van innoveren tractie krijgt, dan moeten we werken richting een nieuwe balans in geconstateerde spanningsvelden. Dat vraagt om institutionele vernieuwing van de beleidsmatige context.


Literatuur

  • Berkhout, A. (2000). The dynamic role of knowledge innovation. Delft: Delft University Press.
  • (2019, december 20). Lagere productiviteit hangt samen met groei zelfstandigen. Opgehaald van www.cbs.nl: https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2019/51/lagere-productiviteit-hangt-samen-met-groei-zelfstandigen
  • Roobeek, A. (2018). De horizontale netwerkleider. In J. Boonstra, Perspectieven op Leiderschap (pp. 207-238). Deventer: Vakmedianet.
  • Schon, D. (1983). The reflective practitioner. New York: Basic Books.
  • Vernooij, A., Van den Tooren, M., Goudswaard, A., & Van Westbeek, E. (2023). Recht naar het doel? Het proces van cyclisch innoveren in learning communities: uitdagingen bij samen innoveren, werken en leren. Leiden: TNO.
  • Van den Tooren, M, Steinhoff, M., Preenen, P. & Adiguzel-van Zoelen, S. (2022). Sharehouse Living Lab: Een nadere uitwerking van het concept en inzichten uit de praktijk. Leiden: Sharehouse.
  • Wenger-Trayner, E., & Wenger-Trayner, B. (2021). Systems Convening: A Crucial Form of Leadership in the 21st century . Sesimbra, Portugal: Social Learning Lab.
  • West, S., Van Kerkhoff, L., & Wagenaar, H. (2019). Beyond “linking knowledge and action”: towards a practice-based approach to transdisciplinary sustainability interventions. Policy Studies, 534-555.
Vond je dit artikel interessant? Lees alle artikelen van: Goedele Geuskens, Anneke Goudswaard en Lilian Woudstra
Deel dit artikel

Er zijn nog geen reacties op dit artikel

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*